Zondag 25 september 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 9 oktober 2022, Bethelkerk Den Helder & zondag 30 oktober 2022 Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 25 september 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 9 oktober 2022 om 10.00 uur in de Bethelkerk te Den Helder en op zondag 30 oktober 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk 11 vers 1 tot 9 doet is een profetie schrijven waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt. Aan het eind van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging om het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een ‘stadium’ waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een ‘fase’ van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen.

Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam zijn profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen om een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken omdat ze vaak in algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Een historicus neemt besluiten over zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet is een hoop in het vooruitzicht stellen waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei. Rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin. Omstanders van wieg, box, buggy of Maxi-Cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen dan wist hij: kijk, God is met ons. In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom ‘binnenhaalt’. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide personen kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk één die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collega’s in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met de kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert leven.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid. Er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen mens en ‘dat wat de mens overstijgt’ wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht ‘naar God’ heeft aanvaard, mag wensen dat die reis waarop zij onbekende havens binnenvaart, lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij een lezeres, liever urenlang in het midden van een boek hangen dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

Alrijne ziekenhuis Leiderdorp, 31 december 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Oudjaar op zondag 31 december 2017 om 10.00 uur in het Alrijne ziekenhuis te Leiderdorp

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien, was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op, dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige, godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk elf vers een tot negen doet, is een profetie schrijven, waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt.

Aan het einde van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft, is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie, behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een stadium waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een fase van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen. Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin, en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam die profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet, is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken, omdat ze vaak is algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op haar of zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Zij of hij neemt besluiten over haar of zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten, dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet, is een hoop in het vooruitzicht stellen, waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei: rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin, omstanders van wieg, box, buggy of maxi-cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen, dan wist zij of hij: kijk, God is met ons.

In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, mensen met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven, zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom binnenhaalt. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide figuren kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk een die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collegae in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met een kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt, initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord, waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert dansen.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij of hij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid, er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen een mens en ‘dat wat de mens overstijgt’, wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties, omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht naar God heeft aanvaard, mag wensen dat die reis “waarop zij of hij onbekende havens binnenvaart” lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij of hij een lezer(es), liever urenlang in het midden van een boek hangen, dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

’t Kruispunt Linschoten, 25 mei 2017

Preek aan de hand van 2 Koningen 2:1-15 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 25 mei 2017 om 09.00 uur in ’t Kruispunt van de Protestantse Gemeente te Linschoten                                       

Gemeente,

U weet wellicht dat wanneer een profeet het toneel betreedt, de dingen niet bij het oude kunnen blijven. Het is profeten eigen groepen mensen, en in het bijzonder invloedrijke figuren zoals destijds koningen, op te roepen tot verandering. Een van de strategieën die een profeet daarvoor in kan zetten, is het schetsen van een donkere eeuw waarin onwetendheid, barbarij en geweld duizend jaar zullen aanhouden. Een andere strategie is een utopische visie te lanceren waarin een onafhankelijke instelling wordt gekoppeld aan de toewijding aan een iconische figuur en de inzichten van nieuwkomers. Zoals in science fiction zijn die nieuwkomers vaak moedige vrouwen en mannen die door het iconische voorbeeld naar een geheime locatie aan het uiteinde van de aarde worden geleid waar zij menselijke kennis en wijsheid kunnen bewaren en beschermen tegen allen die haar teniet willen doen.

Het boek 2 Koningen laat zich lezen als een science fiction boek in de zin dat het zinspeelt op sociaal-politieke verandering die de auteurs door hun geschrift in de nabije toekomst teweeg willen brengen. Science fiction is niet een genre dat duidt op een fantasieverhaal in een futuristische setting zoals in de romans van Aldous Huxley of Jules Verne. Science fiction betekent letterlijk ‘wetenschapsfictie’ en is een belangrijk genre in de literatuur, stripverhalen, films, televisieseries en computergames. Drie kenmerken vallen in science fiction verhalen op: het eerste is dat er gereflecteerd wordt op de rol van wetenschap, het tweede is dat er experimenten plaatsvinden die gericht zijn op technologische of sociale vooruitgang en het derde is dat een science fiction verhaal zich afspeelt in de toekomst. In onze tekst 2 Koningen twee vers een tot vijftien zijn de profeten Elia en Elisa de protagonisten in een toekomstroman waarvan de auteurs een nieuwe staatsvorm uitvinden waardoor het schijnbaar onmogelijke mogelijk wordt gemaakt. Dat ‘onmogelijke’ houdt in dat de monarchie ten val komt en langs de weg van profeten als specialisten op het gebied van utopisme de jonge generatie stem krijgt in politieke besluitvorming.

In het boek 2 Koningen stellen de auteurs zich de vraag welke bestuursvorm te kiezen voor een samenleving in het Oude Nabije Oosten. Gedijt in dit geval Israël het beste onder een theocratie waarin vooral priesters en profeten leiding geven aan een land, beslissen Israëls beleidsmakers met name aan de hand van de adviezen van deskundigen zoals in een technocratie, geven zij de voorkeur aan een monarchie als regeringsvorm of zetten zij de eerste stappen op weg naar een democratie waarin veel ruimte is voor inspraak van de bevolking zelf?

Om antwoord te geven op de vraag naar een te kiezen bestuursvorm hadden de auteurs van 2 Koningen uitgebreide historische en sociale analyses gemaakt van de bestuurlijke structuren van Israël. Zij kwamen erachter dat in de geschiedenis van Israëls politieke besluitvorming jongeren in de leeftijdscategorie van tien tot negentien jaar en twintigers geen inspraak hadden in de vormgeving van het landsbestuur terwijl die tieners en twintigers vol ideeën zaten, een levendige fantasie hadden, in staat waren te dromen en te denken, hielden van inhoudelijke discussies en graag verantwoordelijkheid wilden dragen. De auteurs van 2 Koningen gaan bij wijze van statement Elisa naar voren schuiven als vertegenwoordiger van de jonge generatie die op basis van hun inzichten invulling gaat geven aan het landsbestuur.

In het verhaal over de opvolging van Elia is de monarchie na een lange regeerperiode gekrompen tot een inefficiënte en gedateerde vorm van bestuur. In het oude Nabije Oosten heerste de opvatting dat de monarchie deel uitmaakte van een goddelijke orde. De koning was als het ware ‘uit de hemel neergedaald’ maar de auteurs uit 2 Koningen zagen de huidige koning weer liever naar de hemel opvaren omdat hij niet actief invulling gaf aan zijn koningschap.

De auteurs hadden van de monarchie een kosten-batenanalyse gemaakt en concludeerden dat de monarchie voor Israël een enorme kostenpost vormde, maar haar niet hielp in het sluiten van handelsbetrekkingen met buurlanden en geen internationale verdragen sloot waardoor Israël er niet in sloeg te integreren in de plaatsoverstijgende politiek. Die kritische attitude tegenover de huidige koning zal later doorklinken in het Nieuwe Testament. Evangelisten zullen bij monde van Jezus van Nazareth het koningschap van God prediken waarmee zij elke regeringsvorm ter discussie stellen, of die nu monarchisch, technocratisch of democratisch is.

Zoals in science fiction was het particuliere verhaal van een aantredend profeet voldoende om een inschatting te maken van wat de toekomst voor Israël in petto had. De profeet Elisa wordt tegenover het establishment van de koning geplaatst en zet hem mat met zijn inzicht in de denkpatronen van de koning.

Voor Elisa was Elia het iconische voorbeeld. De oude profeet Elia wil echter niet dat Elisa hem gaat imiteren. De jonge Elisa moet eigen wegen gaan. Bovendien, een profeet is moeilijk op te leiden, wordt als zodanig geboren. Wanneer Elia en Elisa de rivier oversteken om in een andere wereld te komen, dan wordt een afscheid aangekondigd. Het oversteken van het water betekent een scheiding van wegen. En dat is het punt van hemelvaart. Hemelvaart betekent dat de iconische figuren in het eigen leven u en mij als pupillen of bewonderaars na een overlijden loslaten. Wanneer een grote figuur die de wereld begeleidde de wereld verlaat en wij zonder haar of hem verder leven, dan is het alsof de wereld alleen achter blijft. Deze iconische figuur deelde haar of zijn charisma met ons, was samen met ons in de wereld aanwezig en plotsklaps bereikt je het bericht dat uitgerekend deze figuur die veel voor jou en de mensheid heeft betekent er niet meer is. In het Oude Testament verdwijnen deze figuren vaak op een raadselachtige wijze door buiten het land te sterven. Ze worden dan ook tevergeefs gezocht.

Wanneer een persoon ons ontvalt die van betekenis is geweest voor de mensheid, dan beseffen we vaak dat zij of hij er was als deel van de wereld. Door iemands dood gaan we een persoon pas zien in zowel omvang als statuur. Het onderwijs is genoten, de laatste instructies zijn gegeven en de persoon die wij zo hoog hadden, sterft. De ervaringen die je als mens kunt hebben, cirkelen om een gemis. Als we toch eens de laatste tocht van deze dode zouden kunnen keren. Begraaf de maan, giet de oceanen leeg en kap het woud, maar deze persoon hadden we toch het liefst altijd bij ons gehad? Zet de klokken stil, smartphone eruit, verbied honden hun geblaf, ontstem piano’s want ons verdriet is groot. Maak de zon onklaar, veroorzaak kortsluiting in de sterren want heel het wereldrond mag weten dat een grote geest van ons is heengegaan. Maar daar neemt het oude volksgeloof waarvan onze tekst uit Handelingen een vers een tot elf een neerslag vormt, geen genoegen mee. De godmens die inspireerde en irriteerde moest en zou volgens de auteurs triomferen. En dus bedachten zij de uitdrukking ‘hemelvaart’ waarmee symbolisch geïllustreerd wordt dat de mensheid de grote geesten die zij vereren en die naar God toegetrokken worden, achterna zullen gaan.

Wat wij van 2 Koningen twee vers een tot vijftien en Handelingen een vers een tot elf kunnen leren, is dat wanneer een mens de afwezigheid van een persoon als een gemis ziet en ten gevolge van die afwezigheid aan de wereld overgelaten lijkt te worden, zij of hij antwoord kan geven op dat gemis. Zij die ons voorgingen kunnen boven ons uitstijgen. Hun naam steekt vaak boven andere namen uit omdat ze ons in waarheid en vrijheid leiden, ontdekkingen deden, werelden voor ons openden en nieuwe perspectieven boden. Het zijn figuren die voor ons mythische proporties kunnen aannemen. Idolen die we kunnen bewieroken, vereren en ophemelen. We kunnen intens naar hun aanwezigheid verlangen en vragen: wanneer zal ik haar of hem weer zien?

Mensen die echt iets voor de wereld hebben betekent, vragen veelal niet om verering of navolging. Zij zullen benadrukken noch te willen leiden noch te willen volgen. Trek je niet aan hen op, maar verrijs voor jezelf als de andere persoon dan wie je nu bent en nog mag worden. Ieder mens dient haar of zijn eigen geestelijke ontwikkeling door te maken door allereerst voor haar- of zichzelf te verrijzen.

Amen                                                                 

Protestantse kerk Heesselt, 5 februari 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 96 uit De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft en Romeinen 4:19-24 uit de Willibrordvertaling voor de viering op 5 februari 2017 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente van Varik en Heesselt

Gemeente,

In 1912 schilderde de Duits-Deense kunstenaar Emil Nolde met expressieve roze, oranje en gele kleuren in olie- en waterverf De kaarsendanseressen. Op het schilderij, waarvan u een afbeelding op de liturgie ziet, beeldt Nolde twee dansende vrouwen uit een natuurvolk af. Nolde observeerde graag de uitdrukkingsvormen van vreugde en levendigheid van uitheemse, exotische volkeren.

Ook de psalmist was een mens uit een natuurvolk. Hij groeide op in een agrarisch milieu en was vertrouwd met de woestijn en bossen in het Oude Nabije Oosten. Hij werd opgeleid tot ambachtsman, bewerkte hout en vond als adolescent werk in de meubelmakerij. In de jaren dat hij als meubelmaker werkzaam was, breidde hij zijn repertoire uit en vervaardigde nu ook beeldjes en juwelen die bij toeristen zeer in trek waren. In zijn jeugd las de psalmist de oude profeten en raakte bekend met de joodse liederencultuur. Waar zijn hart uiteindelijk echt naar uitging was dan ook niet de kunst van het houtsnijwerk, maar de muziekwereld. Hoe meer hij zich ging verdiepen in de muziek hoe minder geschikt hij gaandeweg leek te worden voor de meubelmakerij, het beeldhouwwerk en het boerenmilieu waar hij vanaf stamde.

Als de psalmist ter orde komt dat er in Israël een conservatorium wordt geopend, twijfelt hij geen moment. Hij laat zijn oude metier achter zich en schrijft zich in voor een muziekopleiding aan de academie in Jeruzalem waar hij zich zal specialiseren in lied en volksdansen van religieuze stromingen uit de zevende eeuw voor Christus. De lofzang die wij lezen in Psalm 96 is geschreven door deze volleerde beroepsmusicus die in zijn gezang de overgang bejubelt tussen een eerdere en een latere bestaanswijze. Hij componeert een cantate waarin hij ‘het volmaakte leven’ bezingt en zowel fragmenten uit oude liedteksten als nieuwe elementen verwerkt. Hij is zo vol van zijn nieuwe leven dat hij welhaast uitbarst in een kosmische koorzang en dans. Zee en aarde, de tot cultuur omgevormde natuur van open veld en wild woud, hij prijst ze de hemel in. De psalmist is een extaticus die een uitbundige hymne schrijft waarin al het zijnde naar een hoger plan wordt getild. Zijn gloria laat zich vergelijken met de dynamiek, de levenslust en de wil tot scheppen die Nolde in zijn De kaarsendanseressen zo expressief tot uitdrukking brengt.

Voor het maken van de overstap van meubelmaker naar beroepsmusicus had de psalmist in de eerste plaats verbeeldingskracht nodig. Hij diende met zijn voorstellingsvermogen eerst voor zich te zien dat die in bijbelse taal ‘nieuwe aarde’ oftewel nieuwe levensinvulling een werkelijkheid kan worden. Je zou het vermogen je ‘de dingen die nog niet zijn’ voor te stellen een voorportaal kunnen noemen. Een weg naar ‘God’. En de psalmist die een flinke dosis geloof nodig had om dat wat hij voor zich had gezien gestalte te geven en ten uitvoer te brengen, naderde in die realisatie ‘God’. Hij kwam tot God en werd zijn wereld aan zich gewaar.

Ook voor Paulus is aan een daad het geloof van een mens af te lezen. Wie wil begrijpen wat en hoe iemand gelooft, kan kijken naar iemands bestaan en haar of zijn handelen daarvoor als richtpunt nemen. Zoals de uiterlijke mens je veel kan vertellen over diens ‘innerlijke gesteldheid’, zo kan de wijze waarop een mens er is zichtbaar maken hoe zij of hij gelooft. Wat een mens over zichzelf, de ander en van de wereld gelooft, toont zich in haar of zijn lef, de activiteiten die zij of hij ontplooit.

Wat Paulus in zijn brief aan de Romeinen doet is ‘het historische geloof’ ter discussie stellen en zijn geloofsvisie introduceren. De geadresseerden van zijn brief bestaan vooral uit Joden en Grieken aan wie hij in een uitvoerige correspondentie probeert uit te leggen hoe een mens zich verhoudt tot God namelijk via geloof. Voor hem is de existentie en de geloofsdaad van een mens bepalend voor de wijze waarop een mens haar of zijn relaties tot de overige componenten in het leven vormgeeft.

Het voorwerp van geloof is een ideaal waar een gelovige zich naartoe beweegt en waar vertrouwen voor nodig is dat ideaal tot stand te brengen. Als voorbeeldfiguur kiest Paulus Abraham en wijst op zijn attitude, niet op zijn leeftijd, etniciteit of lichamelijke gezondheid om het hart van geloof te illustreren. Een mens kan, zoals Abraham, de honderd jaar passeren en nog steeds manieren vinden om aan het eigen leven zin te geven. Er is geen enkele reden voor een oudere op haar of zijn ‘oude dag’ niet nog een nieuw project te beginnen of zich in een nieuwe hobby te storten. Zolang een mens leeft staat de toekomst nog uit en kun je de belofte afleggen ‘meer te worden’, anders te zijn dan je al was. Op die wijze had ook Abraham, de patriarch van de ouderdom, zijn geloof laten groeien. Biologisch gezien konden hij en Sara, die onvruchtbaar was, geen kinderen krijgen: de andro- en menopauze hadden hun intrede gedaan. Maar geestelijk gesproken konden Abraham en Sara nog best een kind baren, zoals je wel ziet dat gepensioneerde stellen na hun arbeidsleven een enorme vitaliteit aan de dag kunnen leggen door veel te reizen, nog een studie te volgen, een huis te gaan bouwen of een bedrijfje op te starten.

Een religieus gelovige, zo willen de auteur uit Genesis met Abraham en de apostel Paulus duidelijk maken, ‘doet iets’ dat zich niet binnen de grenzen van geijkte verwachtingspatronen of algemene normen bevindt. Als je vanuit het domein van de rede een gelovige ‘bestudeert’ dan kun je oordelen dat het object van geloof vrij absurd is, een waanzinnig idee, een ‘ongehoorde belofte’, onbestaanbaar, maar een gelovige is helemaal zeker van haar of zijn zaak. Honderd en nog dromen genoeg, daar doet een tanend lijf geen afbreuk aan. Ook Abraham had van jongs af aan de smaak van geloof te pakken en grossierde erdoor in ‘nageslacht’.

Voor Paulus hoeft de historische dimensie, dat wat gekoppeld is aan de wetten van ruimte en tijd en het empirische, dat wil zeggen ‘dat wat zintuiglijk waarneembaar is’, helemaal geen stokje te steken voor de verwezenlijking van een doel waartoe een mens zich gelovig verhoudt. Het probleem van de geschiedenis is dat het een versteende zekerheid kan vormen die een mens ervan weerhoudt om op weg te gaan. De greep van het verleden, zo zag ook Paulus in, kan een mens achterhalen en stil doen staan. De historie kan nogal dwingend zijn, een mens ‘gijzelen’, vastpinnen op een plaats, een denkraam vormen dat een mens klein houdt. Een geschiedenis daagt niet uit om ‘voorwaarts’ te leven en geloof is het medium dat een mens ertoe brengt naar een toekomst toe te leven. Paulus wil de gelovige uitbeelden en doet dat door haar als een correctie op de geschiedenis en het zichtbare te presenteren. En des te groter het bewustzijn van God dat een mens kan hebben, des te groter zij of hij droomt en hoe ambitieuzer de gelovige wordt.

Paulus roept zijn lezer(es)s(en) op zich over te geven aan ‘die grote droom’ – noem het een goddelijk woord – en daar werk van te maken. De droom laat vaak iets zien van het diepste verlangen dat in een mens kan huizen en dat zich soms op hele onverwachte momenten als een ‘popupschermpje’ in je bewustzijn aandient. ‘Iets’, een inzicht kan je dan ineens heel helder voor ogen staan. Paulus brengt het belang van levenskeuzes in herinnering, roept op te luisteren naar wat je wil, nieuwe perspectieven te aanvaarden en je er ‘afhankelijk’ van te weten. Wie naar die ‘stem’ luistert, haar verstaat en volgt, kiest voor het leven zoals alleen een mens zelf het eigen leven kan leiden, het eigen leven waaraan je verknocht kunt raken. Het persoonlijk leven is als een ‘project’ waar een mens hartstochtelijk van mag houden, een examen waar geloof voor nodig is om aan te tonen dat je ten volle leven kunt. Voor Paulus is die ‘proef’ het enige wat voor God telt. Met zijn uiteenzetting haalt hij een streep door een beroep op etnische identiteit en markeert het belang van de religieuze identiteit.

Vragen die in het kader van die religieuze identiteit een rol spelen zijn: hoe getuigen de daden van een mens van geloof? Ben ik in mijn leven mijzelf geworden? Heb ik mijn dromen nagejaagd en grenzen verlegd? Is mijn levensproject gelukt en zo niet, houd ik er dan toch aan vast dat ik er ooit wel in ga slagen? Hoe heb ik geprobeerd moeilijkheden te overwinnen en problemen opgelost? Hoe ben ik omgegaan met mogelijkheden die een ander mij aanreikte? In hoeverre ben ik trouw gebleven aan mijn verlangens en ambities? Als een mens in staat is dergelijke vragen positief te beantwoorden, te ‘beamen’ dan kan dat aanleiding geven tot een groot halleluja. Je kunt dan ‘in de gloria’ zijn, in alle staten.

Door geloof haalde Abraham de honderd. Een mens, een eeuw oud, een eeuwigheid en nog altijd veerkrachtig. Het is als met Noldes De kaarsendanseressen. Er kan door zelftrouw in alle levendigheid en losheid ‘uitzinnig’ worden gedanst, als de psalmist uit volle borst worden gezongen en, als door Paulus, naar onbekende plaatsen worden gereisd om er onbekende mensen te ontmoeten en er mee te converseren en te disputeren.

Amen