Zondag 25 september 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 9 oktober 2022, Bethelkerk Den Helder & zondag 30 oktober 2022 Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 25 september 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 9 oktober 2022 om 10.00 uur in de Bethelkerk te Den Helder en op zondag 30 oktober 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk 11 vers 1 tot 9 doet is een profetie schrijven waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt. Aan het eind van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging om het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een ‘stadium’ waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een ‘fase’ van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen.

Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam zijn profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen om een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken omdat ze vaak in algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Een historicus neemt besluiten over zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet is een hoop in het vooruitzicht stellen waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei. Rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin. Omstanders van wieg, box, buggy of Maxi-Cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen dan wist hij: kijk, God is met ons. In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom ‘binnenhaalt’. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide personen kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk één die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collega’s in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met de kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert leven.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid. Er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen mens en ‘dat wat de mens overstijgt’ wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht ‘naar God’ heeft aanvaard, mag wensen dat die reis waarop zij onbekende havens binnenvaart, lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij een lezeres, liever urenlang in het midden van een boek hangen dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

Alrijne ziekenhuis Leiderdorp, 31 december 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Oudjaar op zondag 31 december 2017 om 10.00 uur in het Alrijne ziekenhuis te Leiderdorp

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien, was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op, dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige, godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk elf vers een tot negen doet, is een profetie schrijven, waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt.

Aan het einde van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft, is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie, behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een stadium waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een fase van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen. Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin, en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam die profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet, is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken, omdat ze vaak is algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op haar of zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Zij of hij neemt besluiten over haar of zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten, dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet, is een hoop in het vooruitzicht stellen, waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei: rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin, omstanders van wieg, box, buggy of maxi-cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen, dan wist zij of hij: kijk, God is met ons.

In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, mensen met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven, zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom binnenhaalt. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide figuren kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk een die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collegae in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met een kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt, initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord, waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert dansen.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij of hij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid, er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen een mens en ‘dat wat de mens overstijgt’, wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties, omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht naar God heeft aanvaard, mag wensen dat die reis “waarop zij of hij onbekende havens binnenvaart” lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij of hij een lezer(es), liever urenlang in het midden van een boek hangen, dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

Het Kruispunt Voorschoten, 26 november 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 40:1-11 en 2 Petrus 3:8-18 uit de Naardense Bijbel voor de viering op 26 november 2017 om 10.00 uur in Het Kruispunt van de Protestantse Gemeente te Voorschoten

Gemeente,

In elke tijd en in iedere samenleving kun je je de vraag stellen: wie wordt hier beschouwd als vreemdeling? En wie zijn de mensen die zich ‘het recht’ voorbehouden zichzelf niet onder de noemer ‘vreemdeling’ te scharen? Kenmerkend voor de positie van de joden in een niet-joodse omgeving is dat zij maatschappelijk gezien in den vreemde zijn. In de tekst uit Jesaja bevinden zij zich in de ballingschap, een voor het jodendom zwarte bladzijde in de geschiedenis en een tijd waarin veel geschriften verschijnen. Nadat hun tempel – lees de veruiterlijking van hun religie – aan puin lag en zij weggevoerd waren, genoten zij enige godsdienstvrijheid, maar vaak wel binnen de marges van een land – in dit geval Babel. De joden waren vrij hun geloof te belijden, binnen een positie van isolement.

Is dat godsdienstvrijheid als een gelovige in een samenlevingsgemeenschap binnen een besloten plaats haar godsdienst mag beoefenen? Hoe is er sprake van godsdienstvrijheid als een mens een godsdienst mag kiezen en zich ernaar mag gedragen op voorwaarde dat die keuze en dat gedrag past binnen de regels die de wetgever van een land opstelt? Als de jood nu een godsdienst en ‘levensstijl’ wilde beoefenen die in strijd was met de wetten die het decreet in Babel voorschreef? Is het niet een problematisch principe indien een gelovige haar of zijn geloof geacht wordt te beperken aan de hand van bijvoorbeeld een internationaal rechtssysteem of overheidsbeleid dat gericht is op nationale soevereiniteit? Zijn die door de overheid opgelegde normen wel toereikend om een beoefenaar van een religie de wet voor te schrijven?

Een mens die als een vreemdeling wordt beschouwd, past niet binnen de vaste structuren van een bepaalde maatschappij. Je kunt hierbij ook denken aan immigranten, ballingen, gedeporteerden, staatlozen, asielzoekers, vluchtelingen, verdreven en verdrongen mensen. Een samenleving die nog spreekt in termen van ‘vreemdeling’ is geen open samenleving die gerund wordt door kosmopolieten of burgers die beseffen dat die zogenaamde vreemdeling evenveel rechten heeft als zij zelf.

Tussen dertienhonderd en vijftienhonderd konden de joden, omdat zij door christenen als vreemdeling werden beschouwd, om die reden bescherming ontvangen van een hoogste vorst van het gebied waar zij leefden. Ook aan die bescherming was een conditie, een ‘mits’ verbonden. De joden waren er gehoorzaamheid aan de koning voor verschuldigd. Die koning buitte de kwetsbare positie van de joden, die deze vorm van wederkerigheid omwille van hun veiligheid nauwelijks konden weigeren, uit door hen belastingen op te leggen en hen te verplichten belastinggeld van de stadsinwoners te innen. Op de bescherming die de joden in het middeleeuwse christelijke Europa in de vorm van ‘ruilhandel’ ontvingen, konden joden tijdens de Babylonische ballingschap niet rekenen. Het is een periode waarin veel verschillende volken op zoek zijn naar een ‘definitieve definitie’ van hun identiteit. De vraag ‘Waaraan ontleen ik mijn identiteit?’ was een vraag die in die tijd werd beantwoord door te wijzen op herkomst, nationaliteit.

Als een mens of een groep mensen intensief bezig is een soort slotakkoord achter de eigen identiteit te zetten, dan kan dat aanleiding zijn verhalen te schrijven over ‘de ander’. Die ander die ik niet ben, vormt dan een demarcatiecriterium, een mens van wie ik mij onderscheidt. Die onderscheidende kenmerken kan een mens aanwenden om de eigen identiteit te markeren. Ook Jesaja had in die tijd waarin het op politiek en sociaal gebied rommelde en allerlei volken in een staat van wording verkeerden documenten zien verschijnen waarin ‘die ander’ werd geafficheerd. Wat opviel in die boekjes was dat die ander niet zelf aan het woord kwam en ook niet in beeld werd gebracht. De boekjes die vaak uitliepen op verdraaiingen, vijandbeelden, het bevorderen van wij-zij-denkbeelden, vooroordelen, stigmatiseringen en ongenuanceerde beeldvorming waren vaak geschreven door interne figuren die het jargon van een gemeenschap bezigden. Het was een ‘vaktaal’ die voor een jood onbegrijpelijk was. De jood werd als een bedreiging gezien. De groepsidentiteit functioneerde als een bastion waar mensen zichzelf achter verschuilden. Het waren veilige havens waar mensen met een vaste verblijfplaats konden rekenen op ondersteuning op maat vanuit een ‘gemeenschappelijk dienstencentrum’.

Het middel dat Jesaja gaat inzetten om de joden in die situatie van ongelijkheid en maatschappelijke spanningen te bemoedigen, is het schrijven van een profetie. De profetie is een genre waarin je uitspraken doet over de toekomst en in de bijbel komen veel profetische gestalten voor. Er bestaat bijvoorbeeld een hele groep van profetessen: Mirjam, Debora, Hulda en Noadja. Wij kennen dit genre en dergelijke figuren niet meer in ‘onverdunde vorm’. Een sociale kritiek of cultuurkritiek komt er in vergelijking nog het dichtst bij in de buurt.

Het aanschrijven van de mensen die de joden vernederden, was voor Jesaja geen optie. Hij zou er het leven van de joden enkel mee op het spel zetten. In plaats daarvan kiest hij voor een andere strategie. De profetie die hij schrijft, heeft als doel de joden uitzicht te bieden op een heilsmogelijkheid. Je kunt het enigszins vergelijken met een schrijfactie of het tekenen van een petitie van een mensenrechtenorganisatie of het maken van tekeningen met stoepkrijt op asfalt nabij gevangenissen in het zicht van de celramen van gedetineerden. Je betoogt je steun, hoopt dat iemand door dit gebaar de moed niet laat zakken en probeert een opening te bieden in een situatie die soms muurvast lijkt te zitten. In zijn profetie schetst Jesaja voor de in vrijheid levende jood een samenlevingsvisie waarin de jood op volkomen voet van gelijkheid met anderen verkeert. Het is een intochtslied van de bevrijding waarin de jood ook na haar of zijn deportatie evenveel stemrecht heeft als andere inwoners.

Een profetie probeert vaak via het schetsen van een ‘ideale samenleving’ een einde te maken aan de laatste ideologieën, dat wil zeggen het geheel van ideeën, menselijke relaties en de inrichting van een samenleving binnen een land, die vooral de belangen dienen van een of meerdere specifieke groeperingen. Jesaja begeeft zich met zijn profetie op glad ijs. Er is geen enkele aanwijzing of reden om aan te nemen dat de situatie er voor de joden anders uit zou gaan zien. In de profetie liegt hij zich een vlot in de hoop dat een minderheid erop springt en blijft drijven. En warempel! Wat Jesaja niet had kunnen voorzien, maar wel voorzingt, gaat gebeuren. Er verschijnt een bevrijder aan de horizon. Je kunt de verrassing van deze wending vergelijken met een wereldkampioenschap waarbij een club een zodanige achterstand heeft, dat niemand nog verwacht dat zij gaan winnen. Niets wees erop dat de ballingschap zou eindigen, totdat er een bericht doorkwam dat Babel zonder oorlogsvoering door de Perzische koning Cyrus was ingenomen. Jesaja schrok er zelf van. Ongelooflijk, wie had dat gedacht! Hij had een profetie geschreven; dat was toch een kwestie van literair veinzen, mensen ‘voorliegen’ in de hoop dat zij hun misère zouden uithouden en overleven.

Cyrus had in het verleden meerdere veldtochten geleid, waarin hij vorsten uit hun macht zette. De stad Babel had de reputatie onoverwinnelijk te zijn, maar deze Cyrus gaat tijdens de afwezigheid van koning Nabonidus de stad ten val brengen. Niemand had Cyrus zien aankomen. Terwijl Nabonidus niet op zijn plek zit, komt deze Cyrus als een dief in de nacht. Hij is de verdediger die vanaf de laatste linie tussen de aanvallers van de tegenstanders en de doelman, naar voren dringt, de rol van aanvaller overneemt, het winnende doelpunt maakt en zijn team de beslissende wedstrijd laat winnen. Niet langer is Babel de actor die overwicht heeft op andere actoren. Op het gebied van de politiek, handel en cultuur, waaronder de godsdienst, is Babel niet langer aanvoerder. Deze Cyrus vaardigt een wet uit waarmee alle volken hun vrijheid herkrijgen. Ze worden in staat gesteld terug te keren naar hun ‘land van herkomst’ en nemen hun goden mee. Cyrus, een zogenaamde heiden, een persoon uit de gojim, een goj krijgt de ‘titel’ Gods gezalfde mee. Hij is degene die de wil van God ten uitvoer brengt door aan een nieuwe ordening een gezicht te geven. Onbedoeld gaat voor Jesaja zijn pastorale profetie dan toch op een historische manier in vervulling. Cyrus, een individu, een strijder voor mensenrechten is de redder die de jood verzekert van de terugkeer van de religie in het publieke domein.

Amen

Gereformeerde kerk Hardinxveld-Giessendam, 5 maart 2017

Preek naar aanleiding van 2 Koningen 4:18-37 uit de Willibrordvertaling en Marcus 1:29-39 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering op zondag 5 maart 2017 om 18.00 uur in de Gereformeerde kerk te Hardinxveld-Giessendam

Gemeente,

In de jaren 2002 en 2003 schrijft de Nederlandse auteur Pieter Frans Thomése een autobiografische roman waarin hij via essays een literaire omgang presenteert met de plotselinge dood van een kind. In 49 korte chapiters zoekt hij naar een taal die in staat is zijn ‘werkelijkheid’ die gestorven is te beschrijven. Tussen de regels door proef je als lezer(es) hoeveel moeite het de auteur kost het dagelijks leven doorgang te verlenen, hoe zwaar hem de aanwezigheid van andere mensen valt en het onvermogen van hemzelf en anderen op zijn situatie te reageren. Uit de roman blijkt dat Thomése gezocht heeft naar bronnen uit de oudheid en christelijke opstandingsverhalen waarin denkers die weet hadden van een vergelijkbare situatie de lacune van taal voor een dergelijke traumatische gebeurtenis konden vullen. Noch Griek, noch Romein, en ook geen evangelist of dichter formuleerde een toereikende taal waarin hij zijn ervaring kon herkennen.

Een probleem van de auteur ten opzichte van zijn voorgangers is dat zij via de taal in staat waren tot een constructie, een samenhangend en afgerond verhaal. Thomése beschikt niet over een vorm, laat staan een lijn van A naar B met een narratief plot en een moraal waarmee hij de dood van zijn kind kan plaatsen. Alsof de taal een net is van draden die je aan elkaar kunt knopen om de werkelijkheid een structuur te geven en in het spannen van draden betekenis ontstaat. Thomése staat met lege handen, bevindt zich in de mazen van dat net, heeft geen ‘sluitend woord’ en het is wellicht die ervaring waardoor hij aanvankelijk niet weet waar het schrijven te beginnen, op welke wijze het leven zelf aan te vangen.

In de medische wereld was men klinisch en zakelijk met de dood van zijn dochtertje omgegaan. Ze was een ‘sterfgeval’ en Thomése lijkt een persoonlijke benadering van deze levensgebeurtenis voor te staan.

Het boek Schaduwkind is poëtisch geschreven. En poëzie leent zich voor een ‘duidelijke’ expressie van ‘het ongerijmde’. Wie als mens een gebeurtenis overkomt die niet in de taal is uit te drukken en daarmee onmogelijk in het eigen wereldbeeld past en die toch tot uiting wil brengen, kan zich richten tot de poëzie die via beelden stem kan geven aan onduidelijke gevoelens. Maar de poëzie als esthetisch medium doet nog iets meer. Zoals je een alledaags voorwerp uit een reguliere context kunt halen, het afzondert door het op een sokkel te zetten en in een museum te plaatsen waardoor het singulier wordt, zo evoceert de poëzie een vervreemdend effect ten opzichte van gewoontevorming. Dat effect voorkomt dat je als een voyeur naar de pijn in het bestaan van de ander kunt kijken. Poëzie vormt een handrem tegen sentiment en haalt de lezer(es) – die nota bene over het lijden van een ander leest – uit haar of zijn gewone doen – schept een ervaring die Thomése in het groot meemaakte en roept op tot meeleven in de praktijk.

Thomése’s strategie geeft te denken over de reikwijdte van de taal en het gebrek aan vormen om de dood van een kind gestalte te geven en te verwerken. Is de religie niet een type sfeer dat bij uitstek ruimte laat voor gebeurtenissen die van ‘het abrupte’ en ‘het absurde’ getuigen? Hoe kan de religie een bijdrage leveren aan het toegankelijk maken van bepaalde levenservaringen? De tekst uit 2 Koningen vier vers achttien tot zevenendertig behandelt die twee vragen. De tekst vormt met de passage die eraan vooraf gaat een trilogie. In de tekst richt de auteur de blikrichting van de lezer(es) van de internationale politiek – het decor van de wereld – naar de huiselijke sfeer. Je kunt de auteur vergelijken met een persoon die de stoel waarin een televisiekijker zit die naar ‘grote drama’s die zich ver van huis afspelen kijkt, omdraait en haar of hem in plaats daarvan naar het eigen gezinslid laat kijken die zich een paar meter van haar of hem vandaan bevindt.

In ons verhaal is dat een vrouw uit Sunem die ooit getrouwd was met een oude echtgenoot en kinderloos en welgesteld was. De auteur wil de lezer(es) laten meevoelen met de positie van een weduwe in het Oude Nabije Oosten en schakelt een profeet als diaconaal hulpverlener in om haar waardigheid te herstellen. Hij doet dat door te voorzien in de middelen om haar schulden te betalen en door de Sunammitische vrouw de regie over voor haar belangrijke levensgebieden terug te geven. Elisa is een schuldsaneerder en lifecoach inéén. Hij had er nog een schepje bovenop gedaan door te voorzien – vraag niet hoe – dat zij zou bevallen van een zoon.

Een profeet gehuld in een kamelenharen mantel leeft van weinig voedsel: zijn menu bestaat uit sprinkhanen en wilde honing. Met verbeeldingskracht was hij rijk gezegend en van die overvloed deelt hij graag met de Sunammitische vrouw. De profetie over de geboorte van een kind is Elisa’s manier iets terug te doen voor de gastvrijheid die hij genoot al de tijd dat hij bij haar in huis vertoefde om de zaken daar weer een beetje op orde te krijgen. Het is deze zoon, haar enig kind, die sterft. Deze vrouw heeft haar leven weer op de rit door langs de weg van de religie weer een onafhankelijk persoon te worden en zelfstandig haar besluiten te nemen. Ze mocht zich verheugen in de opvoeding van een kind en ik stel me voor dat die twee – moeder en zoon – een bijzondere band met elkaar hadden. In het Nieuwe Testament – denk aan Maria en Jezus – zal Maria haar geesteskind uiteindelijk los moeten laten. Hier komt een vrouw aan het woord die op het aanbod van Elisa haar diepste, misschien wel meest verborgen wens in vervulling te laten gaan, niet antwoordt met een expliciete kinderwens.

Elisa wenste haar een zoon toe, die kreeg ze en nu sterft het kind. Elisa had een wensgedachte voor deze vrouw ingevuld terwijl ze zelf mogelijk hele andere ideeën had over de nadere invulling van zijn aanbod. Als ze zo graag kinderen had gewild, was ze wel met een jongere man getrouwd. Wat de vrouw uit Sunem nu doet, is Elisa bepalen bij de verantwoordelijkheid voor zijn profetie. Het lijkt wel alsof ze Elisa met die profetie erop wil wijzen in te staan voor zijn uitspraak. Ze gaat hem confronteren met wat hij in en met de taal ten opzichte van haar doet. Met een profetie kun je niet vrolijk en vrijblijvend strooien. De auteur draait de rollen om. Het is nu de Sunammitische vrouw die de rondtrekkende profeet de implicaties van zijn belofte laat zien en hem ouderlijk gezag gaat geven. Ze is verontwaardigd omdat ze helemaal niet zit te wachten op een aaneenschakeling van ‘dode zielen’ in haar huis. Elisa heeft deze jongen in haar leven geroepen, hij is de vader en mag er nu ook zorg voor dragen dat de jongen weer bij zinnen komt.

Van de zwakke vrouw die hij ooit aantrof is nog nauwelijks iets te bespeuren. Resoluut komt ze in actie, laat zich door Gechazi, Elisa’s koerier, niet afschepen, zoals je via de telefoon door voet bij stuk te houden een secretaris passeert omdat je een bestuurder wilt spreken. Elisa is de vrijheid gewend, komt en gaat wanneer hij wil, is niet aan huis en haard gebonden. Die vrijheid is hem zo lief dat hij eerst Gechazi, z’n afgevaardigde, wil sturen. Met een ‘tussenpersoon’ kan de Sunammitische vrouw echter geen genoegen nemen. Het is alsof je 112 belt voor een levensbedreigend geval en je in de wacht wordt gezet. “Blijft u nog even aan de lijn, er is nog een wachtende voor u.”

De jongen die stervende is, wil geen schijnvader, geen surrogaatouder in de vorm van een pop of robot die hem bezig houdt. Op de staf van Gechazi reageert hij dan ook niet. Weg met dat malle ding en die magische hocus pocus. Ik wil een echte vader, niet één in de hemel, maar één op aarde. Zo één van vlees en bloed die met beide benen op de grond staat. Een vader die aan de zijlijn staat als ik op zaterdagochtend in de druilende regen een voetbalcompetitie speel, een spaarrekening voor me opent en schoolformulieren kan invullen, me helpt met wiskunde en Latijn, iets begrijpt van die verwarrende tijd van het puberen, kaartjes voor een concert van Ed Sheeran koopt, met wie ik vrouwen- en mannenzaken kan bespreken en aanwezig is wanneer ik in het huwelijksbootje stap. Een klassieke, degelijke, ongecompliceerde vader die niet wegloopt nadat hij me heeft verwekt.

En toen transformeerde Elisa van profeet in een huisman die later nog aan ‘vaderdagen’ zou doen. De Sunnamitische vrouw gaf hem, zwerver, een onderkomen. De medische wereld werd thuis in het klein nagebootst – zou Elisa vandaag de dag leven, hij zou de jongen direct naar het ziekenhuis hebben gebracht. Wie buiten bewustzijn raakt heeft in de eerste plaats een vader en een goede dokter nodig en geen vertegenwoordiger van de religie die lichamelijk falen religieus interpreteert. Elisa reanimeerde hem, ademde zijn lucht in de mond van zijn zoon, identificeerde zich met hem, raakte hem aan, warmde het koude, asgrauw gekleurde lichaam van de jongen, nam hem in bescherming, ijsbeerde van de zorgen heen en weer, rende het hele huis door, begreep nu wat paniek om je kind betekende en maakte wat dood was weer levend.

Als de Sunnamitische vrouw voortaan uit haar werk komt, heeft Elisa gekookt en zit de jongen boven te leren, oefende buiten passes, computerde of produceerde z’n eigen muziek. Dan zaten zij gedrieën, spraken honderduit, rond dezelfde tafel, deelden hetzelfde brood, dezelfde aarde terwijl Gechazi met z’n brommer nog wat pizza’s rondbracht.

Amen                                                      

Gereformeerde kerk Ridderkerk, 22 januari 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de derde zondag na Epifanie op 22 januari 2017 om 09.30 uur in de Protestantse Gemeente te Bolnes

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk 11 vers 1 tot 9 doet is een profetie schrijven waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt. Aan het eind van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een ‘stadium’ waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een ‘fase’ van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen. Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam zijn profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken omdat ze vaak in algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Een historicus neemt besluiten over zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet is een hoop in het vooruitzicht stellen waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei. Rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin. Omstanders van wieg, box, buggy of Maxi-Cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen dan wist hij: kijk, God is met ons. In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus aangezien Johannes hem met schroom ‘binnenhaalt’. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide figuren kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk één die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collega’s in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met de kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert dansen.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid. Er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen mens en ‘dat wat de mens overstijgt’ wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht ‘naar God’ heeft aanvaard, mag wensen dat die reis waarop zij onbekende havens binnenvaart, lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij een lezeres, liever urenlang in het midden van een boek hangen dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen