Zondag 8 januari 2023, Drieën- Huysen Noord Vlaardingen, zondag 15 januari 2023, Het Witte Kerkje Huis ter Heide, zondag 22 januari 2023, Grote Kerk Westzaan, zondag 29 januari 2023, De Hoeksteen Numansdorp & zondag 5 februari 2023, Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Psalm 87 en Lucas 2:22-40 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 8 januari 2023 om 10.30 uur in Drieën-Huysen Noord van de Zonnehuisgroep Vlaardingen, uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de kerkdienst op zondag 15 januari 2023 om 10.00 uur in Het Witte Kerkje te Huis ter Heide en uit de NBV21 voor de kerkdienst op zondag 22 januari 2023 om 10.00 uur in de Grote Kerk van de Protestantse Gemeente Westzaan, op zondag 29 januari 2023 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk De Hoeksteen te Numansdorp en op zondag 5 februari 2023 om 10.15 uur in Het Zonnehuis van de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

Als je als mens opgroeit ‘richting’ adolescentie dan kan de identiteitsvraag: wie ben ik? een thema van reflectie zijn. Wij stellen dat soort vragen: wie ben ik? Ben ik mezelf? Waardoor wordt mijn zelfbeeld bepaald? Die vragen worden veelal gesteld onder omstandigheden waarin mensen twijfelen aan vanzelfsprekendheden, verwachtingspatronen, gewoontes en gestandaardiseerde opvattingen over zichzelf. Met de komst van geavanceerde technologie krijgt de vraag wie ben ik? – ook binnen het pastoraat – gezelschap van een andere vraag. Een vraag die heden ten dage ‘de wereld overgaat’ is niet alleen wie ben ik, maar ook waar ben ik? De vraag naar locatie laat mogelijk iets zien van een desoriëntatie voor belichaamde mensen die niet zijn berekend op de snelheid van ‘sociale techniek’.

Voor de vroege psalmist hangen identiteit en locatie nauw met elkaar samen. De vraag voor een Jood wie hij was, werd grotendeels beantwoord door een verwijzing naar de geboorteplaats. Na de verwoesting van de tempel echter is dat referentiepunt niet langer ‘geldig’. De psalmist die een thuis zoekt voor een ontwortelde groep mensen, zal universeel asiel dienen aan te vragen. De latere psalmist heeft een specifieke plaats als ‘het ware moederland’ opgegeven en stelt ‘een hemels oord’ voor als de verblijfplaats voor Joden die in de diaspora leven en hun nakomelingen die in ballingschap worden geboren. Dit voorstel vormt zijn pastorale oplossing voor ‘de woningnood’ van zijn tijdgenoten. Waar de Jood ook bivakkeert, hij is op aarde overal thuis zolang hij zijn gezindheid inplugt op ‘Gods besturingssysteem’.

In de psalm valt een ontwikkeling te lezen in het denken van de psalmist. Beoordeelde hij eerder de situatie van zijn bevolkingsgroep als een van diaspora, verstrooiing, nu zet hij, met meer oog voor diversiteit, in bij de globalisering van de Joden. Hij dicht de Jood niet langer een bepaalde standplaats toe, maar beschouwt hem als wereldburger. De concentratie van de Joodse religie ondergaat een mondialisering. Die positieve visie op de toestand van de Jood, daar is de psalmist weg van.

Je zou de oplossing van de psalmist een poëtische, religieuze vondst kunnen noemen. Een Jood echter die hetzij tijdelijk als vluchteling in een tentenkamp verblijft hetzij wil assimileren in een nieuwe samenleving en voor de toekenning van burgerrechten demografische registratiegegevens dient op te geven, kan niet met zijn oplossing uit de voeten. De paperassen van de staat lenen zich moeilijk voor religieuze invullingen. De vraag van de Jood naar zijn oorsprong en plaats in de wereld had hij met het oog op het praktische leven wellicht beter aan een overheidsbeambte of een politicus kunnen voorleggen dan aan een dichter.

De situatie van individuele Joden die na de verwoesting van de tempel verspreid over de aarde leven, zal leiden tot evenzoveel culturele syntheses op lokaal niveau, al zal de Joodse identiteit doorslaggevend zijn. De tempel en de godsdienstcultus die aan dit gebedshuis is verbonden was de plaats waar de Jood kind aan huis was. Op de liturgie ziet u een afbeelding van het interieur van de Portugese synagoge in Amsterdam dat Emanuel de Witte, die leefde van 1617 tot 1692, in 1680 schilderde. Daarnaast ziet u een foto van het interieur van een synagoge in Krakow. De vergelijking tussen beide afbeeldingen bewijst dat het Jodendom zich aanpast aan lokale culturen: het toont immers dat een Portugese calvinistische synagoge in Amsterdam – al was die ooit kleurrijker dan nu – soberder is dan een synagoge in Polen. De Jood zal in zijn nieuwe leefklimaat synagogen bouwen en de functie van de tempel uitbreiden naar dat van een leerhuis. Het is dat type synagoge waar Jezus van Nazareth de deur plat liep. Van kinds af aan is hij verslingerd geraakt aan de Sjoel.

Ook bij Lucas vinden we de opvatting dat identiteit gedeeltelijk wordt bepaald door de fysieke plaats waar een mens verwijlt. Wie wil weten wat het betekende Joods te zijn bezoekt de habitat van de Jood. Wie wil begrijpen wie het ‘religieuze wonderkind’ Jezus was zal hem moeten zoeken in de synagoge. Terwijl leeftijdsgenoten zich bezighouden met kleurplaten, videogames, voetbal en verliefdheden, leest hij de Joodse filosofen, bestudeert hij de Thora en debatteert met de rabbijnen. De ganse dag heeft deze jongen het hoofd vol van God. Hij gaat zo op in zijn leesactiviteiten, dialogen en gedachtewereld dat hij zichzelf, de tijd en ‘het ouderlijk huis’ vergeet.

Hoewel, in het Jodendom maakt de relatie tot moeder en vader een belangrijk deel uit en Jezus was erg ‘in de dingen van zijn vader’. Het Jodendom was zijn inspiratiebron. Dat zijn ‘ouders’ zo verbaasd staan over hoe de volksmond over Jezus spreekt laat de diepe barst zien in de ouder-kind-verhouding. Al op jonge leeftijd heeft deze zelfstandige jongen gevoeld waarmee hij zou trouwen – de theologie! – en dat voorwerp van liefde verschilde hemelsbreed van wat de praktisch ingestelde timmerman Jozef en de bezorgde moeder Maria dachten dat goed was voor dit kind.

Het zijn de stokoude Simeon en hoogbejaarde Hanna die vanuit hun Joodse verwachtingen naar dit jongetje hebben gekeken en dachten te begrijpen met wie ze van doen hadden. Zij zijn ‘de middelaars’ die Jozef en Maria alsnog inzicht verschaffen over zijn identiteit.

De rol die Simeon krijgt toebedeeld is die van een wetsgetrouwe, vrome Jood die hoopt nog voor zijn dood zijn Messiasverwachting in vervulling te zien gaan. Sterker nog, vanuit zijn vertrouwdheid met de Joodse Tenach hoopt Simeon de gezalfde die het Joodse volk weer thuis zou brengen persoonlijk te ontmoeten. Hoewel Simeon bijna blind was, heeft hij een ding haarscherp gezien – hij zal zijn ogen tot spleetjes hebben geknepen. Of je Jezus nu wel of niet als een Messias identificeert, deze jongen drukt voor hem het teken van tegenspraak uit. Wie de gang van dit goocheme en gelovige jongetje volgt, kan aan zijn levensloop aflezen dat de messiaanse vreugde die hij belichaamt gepaard gaat met een schaduwkant. Hoewel de jonge Jezus de oude Simeon de ogen opende, laat Jezus al doorschemeren dat een geestelijk leven op jonge leeftijd niet altijd een lolletje is en dat het een rampzalig einde kan hebben. Vormt die keerzijde een domper op de feeststemming? Niet op die van Simeon, zijn oude-jaars-avond en nieuwjaarsdag kunnen niet meer stuk. Wellicht wel voor de mens wier ‘halleluja’ nog niet door de vuurproef van de twijfel is heengegaan en nog niet heeft beseft dat aan menselijk leven en het welslagen daarvan vaak een prijskaartje hangt. De auteur van het Lucasevangelie heeft iets te veel van het barre leven meegemaakt om niet een kanttekening te plaatsen bij ‘zegepralen’.

Wie wegwijs raakt in het evangelie van Lucas zal zien dat hij mannen afwisselt met vrouwen. Ook de hoogbejaarde Hanna is een bekend gezicht in de tempel en krijgt hier de behandeling die ze verdient. Hanna wordt voorgesteld als een weduwe met Joodse wortels die op latere leeftijd opnieuw verliefd is geworden. Ook zij viel als een blok voor de theologie. Hanna zal in Jezus een ‘soulmate’ hebben ontmoet met wie ze tot in de late uurtjes van gedachten wisselde. Ze zal in hem de zoon hebben gezien die ze zelf niet kon baren, de kleinzoon die ze de jeugd kon geven die hij niet had gekend.

De tempel vormt een tent van ontmoeting waar jong en oud elkaar bereiken. Het is een plaats waar verwachtingen in vervulling gaan, mensen elkaar onderrichten en vertroosten. Lucas’ ‘missie’ is geslaagd als ons nog nagalmend kerstdeuntje “jij in jouw klein hoekje en ik in het mijn” verandert in een “jij uit jouw klein hoekje en ik uit het mijn”.

Amen

Zaterdag 24 december 2022, Het Witte Kerkje Huis ter Heide

Preek naar aanleiding van Lucas 2:1-20 en Johannes 1:1-18 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Kerst op zaterdag 24 december 2022 om 22.00 uur in Het Witte Kerkje te Huis ter Heide

Gemeente,

Het Romeinse Rijk kende jaren van vrede, waardoor keizer Augustus door tijdgenoten wel als bovenmatig ontzagwekkend werd gezien. We kunnen ons afvragen hoe politici, waaronder keizers en presidenten, aan de macht komen en vooral wat onze inschatting is van de gevolgen die hun machtsuitoefening zal hebben. Als we van tevoren de gevolgen van de heerschappij van Caesar, Hitler, Trump of Poetin hadden ingeschat, hadden we dan voorkomen dat ze aan de macht zouden komen? Hebben we kennis van geschiedenissen niet nodig om patronen te herkennen en in het heden, met het oog op de toekomst, in te grijpen, als we kunnen voorspellen dat een herhaling van bijvoorbeeld een bepaald soort macht negatieve gevolgen heeft? De auteur van het Lucasevangelie, een evangelist, vindt van wel. Hij heeft weinig op met de verering van keizer Augustus, verafgoding haast, acht hem wreed in zijn optreden, hekelt de manier waarop hij met de wet omgaat, en er was dan wel vrede in het Romeinse Rijk, maar de zorg van deze auteur was een ander soort vrede in het Romeinse Rijk en mogelijk elders.               

Als correctie op keizer Augustus laat de evangelist een mens geboren worden die staat voor zijn ideaaltype van een ander soort vrede. Jezus van Nazareth wordt niet in een Romeinse context geboren, maar in een joodse context, met zorgen werd hij omringd. Geen enkele vredestichter of vrijheidsdenker is op een andere manier begonnen. De onrust en de uiteindelijke vrede die Jezus als voorbeeld van de messiaanse mens, die u en ik ook kunnen zijn, zal stichten, geschiedt niet langs politieke, laat staan militaire weg, maar via bevraging, problematisering en afzwakking van harde structuren en overtuigingen.                           

Lucas houdt van het kleine, van spontaniteit, ongekunsteldheid, ongedwongen gevoelsuitingen, gebeurtenissen die onvoorbedacht geschieden, van op basis van eigen intuïtie handelen, dat zonder nadere overweging tot uiting komt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het verschil tussen het edict van keizer Augustus in Lucas 2 vers 1 en de aankondiging aan de herders, die vanuit een andere grondhouding wordt gedaan en daarmee verschillende sferen en effecten creëert. Het verschil tussen het afkondigen van een edict, het voorschrijven van rechtsregels in de vorm van een wet als onderdeel van het recht door een hoogwaardigheidsbekleder die vrees inboezemt enerzijds, en het brengen van goed nieuws dat een individu verlicht en vreugde schept aan een gemeenschap anderzijds, past in de lijn van het Nieuwe Testament om harde structuren af te zwakken.

In de context van Rome waarin keizer Augustus als een alleenheerser aan de macht was gekomen door geleidelijk diverse republikeinse magistraten te overrulen, waardoor hij macht over het Romeinse Rijk kreeg, projecteert Lucas zijn verrijzenisgeloof op het leven van Jezus door de geboorte van Jezus te zien als de manifestatie van een rijk van vrede en vrijheid op aarde. Als je jouw interpretatie van iemands leven wilt geven, waar kun je dan beter beginnen dan bij de aanvang ervan? Ook Lucas begint zijn biografie van Jezus in zijn evangelie bij de geboorte om uiteindelijk zijn interpretatie van Jezus’ leven te vertolken dat er een kind werd geboren die destijds voor mens en wereld een nieuwe tijd met andere denkbeelden, uitgangspunten en omgangsvormen voorstond dan de hiërarchisch geordende, wettische en wrede wereld van keizer Augustus. Wij lezen dus een bewust kinderachtig verhaal, een kindertijdverhaal, omdat Lucas zijn interpretatie van de identiteit van een persoon wil laten zien. Die interpretatie, waarin hij getuigt van iemands oorsprong en aard, is zijn subjectieve waarheid over Jezus.

Niet zonder reden laat Lucas Jezus in de nacht geboren worden. Hij ontleent het beeld van de nacht aan de Oudheid, waarin men dacht dat duisternis en niet-bestaan door het licht als levensprincipe werd verjaagd. Echter, terwijl deze strijd tussen licht en duisternis in de Oudheid vooral als een kosmisch treffen werd gezien, heeft deze strijd bij Lucas vooral een ethische betekenis. In dit kindheidsverhaal speelt Jezus de rol van degene die vormen van onderdrukking, vrees en knellende banden van de lokale bevolking binnen het imperium van keizer Augustus verbreekt. Stelt u zich voor, dat u lijdt onder een bepaalde regering en er zou een jongmens in de politieke arena verschijnen die deze regering ten val zou brengen en daarmee een einde zou maken aan uw lijden. O nacht dat deze mens komt! Terwijl de institutionele religie van die tijd haar vraagtekens plaatste bij de identiteit van Jezus van Nazareth, aangezien hij een vluchteling was die uitweek naar een herberg in een voor zijn ouders vreemd land, projecteerden velen hun wensgedachten op dit kind en herkenden in hem een messiaanse figuur. Bevrijder zou hij zijn van hun benauwdheid, helper van wie het niet langer op eigen kracht kon redden. In tijden van politiek kwaad was hun hoop op hem gevestigd.

Wanneer we vervolgens kijken naar de reacties van mensen op de geboorte van Jezus van Nazareth, dan valt op dat Lucas als didacticus en pedagoog drie typen beschrijft waartoe toehoorders en lezers zich konden verhouden, bijvoorbeeld door zich er al dan niet mee te identificeren. Het optreden van de herders illustreert het onmiddellijke, niet bereflecteerde geloof, waar Lucas een voorkeur voor heeft. Spontaniteit, niet lang nadenken bij hoe je reageert en wat je doet, laat staan te lang, ad rem antwoorden, daar is Lucas als pragmatisch arts van gecharmeerd. Maria delibereert over hetgeen zij ervaren en gehoord heeft, waarmee zij de reflexieve, gelovige mens uitbeeldt die vragen stelt, afwegingen maakt, analyseert, een situatie vanuit verschillende perspectieven bekijkt en evalueert. De meditatieve wijze waarop Maria met het nieuws van Jezus’ geboorte omgaat, is anders dan de wijze waarop de herders met dit nieuws omgaan. Zij aarzelen geen moment om het nieuws direct te gaan verspreiden. “Hej ’t al heurd?”

De omstanders horen het geboortenieuws en reageren verrast, omdat voor hen deze gebeurtenis heel onverwachts komt. Zij spelen de rol van mensen die niet met of vanuit een specifieke verwachting leven, dat een tijd die door velen wordt ervaren als één van onheil op een dag wordt doorbroken door een persoon die een andere samenleving, een ander beleid, andere denkbeelden voorstaat. Oh, epifanie!

Kerst staat traditioneel voor de viering van de geboorte van Jezus van Nazareth. In plaats van deze geboorte te zien als een historische gebeurtenis die een enkeling betreft, zou je kerst ook kunnen zien als de viering van de nacht waarop jouw leven begint. In Johannes 1 vers 1 tot 18 vind je aanzetten voor momenten waarop dat eigen, echte leven aanvangt, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen leven en dood. In het Johannesevangelie betekent leven een motiverende, transformerende kracht die je in staat stelt te doen wat je wilt doen. Dood heeft vooral de betekenis van verwijzen naar wetgeving, verboden instellen en voorschriften bedenken om te bepalen wat mensen moeten doen. Voor Johannes begint je leven pas wanneer je buiten de chronologische tijd geraakt door creatief op te treden binnen de chronologische tijd, op momenten waarop je je bronnen van leven aanspreekt, een voortdurende bereidheid cultiveert die aarzelingen, onzekerheden, twijfels, bezwaren en tegenargumenten ondervangt, waardoor je identiteit vorm krijgt. Leven vanuit wensen en niet vanuit plichten kunnen een levendigheid in een mensenleven brengen die zij die haar ervaren de irrelevantie van de dood doen inzien. In het Johannesevangelie spreekt de evangelist van een nieuwe geboorte van hen die dit perspectief aanvaarden. Kerst kan dus ook gaan over ieders vermogen weer een beetje als een kind te worden door vanuit geest als vertrekpunt te leven. Dan is er volheid van zijn. Alsof je zelf in een kribbe, wiegje ligt en opnieuw ter wereld komt. Oh dag, waarop jijzelf geboren wordt!

Volgens Johannes kunnen de effecten van de eigen transformatie niet uitblijven. Zelftransformatie, verandering heeft invloed op de taal die iemand spreekt en de handelingen die iemand verricht en nalaat. Een persoon die zich tot een andere, nieuwe, levenwekkende, persoonlijke levensoriëntatie richt, zal woorden spreken die getuigen van welwillendheid, compassie, mildheid, ongeveinsdheid en vrijgevigheid. De stem van Jezus van Nazareth die leven vanuit de eigen wensen verkoos boven leven door van buitenaf opgelegde voorschriften die zelfbevreemdend werken, is van een andere orde dan de dicterende, bevelende stem van keizer Augustus. Moge uw denken, wijsheid, geweten, geloof en geest leidend zijn voor uw leven, zoals dat tot uiting kan komen in de ideeën waar uw uitspraken van getuigen, de inzichten die u heeft opgedaan en ontwikkeld, opdat u zich niet laat beïnvloeden door de keizer Augustussen van onze tijd. Dan komen uw hemel en hymne bij elkaar. Oh nacht, dat uzelf geboren wordt!          

Amen

Zondag 11 december 2022, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Jesaja 8:23b-9:7 en Titus 2:11-13 voor de viering van de derde Advent op zondag 11 december 2022 om 10.00 uur in de Oudshoornsekerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Wie in de winter naar Lapland, het noorden van Noorwegen of IJsland reist, kan er het Noorderlicht zien. Het Noorderlicht is een lichtverschijnsel in de atmosfeer, dat juist bij duisternis kan worden waargenomen. Het licht is met name zichtbaar op hoge geografische breedtes. Wanneer het licht verschijnt, zien we vaak een gloed.

De mensen tot wie de auteurs van Jesaja 8 vers 23B tot 9 vers 7 zich richten, leven in bezet gebied. De machthebber in deze regio, Achaz, was zijn godsvertrouwen verloren en had een buurland te hulp geroepen om een oorlog aan te vangen, die wij kennen als de zogeheten Syro-Efraïmitische oorlog. Gods lieveling kwam daarmee in de verdrukking. De troepen van Assyrië gaan in het licht staan, waar de gelovige Israëliet zich dagelijks naar keert. In een sfeer van onderdrukking dooft, heel langzaam, hun levenslicht. Maandenlang brengen gelovigen hun tijd door in een duister oord van heidens geweld. Wie gaat het regime doorbreken?

Op vijfentwintigjarige leeftijd voelt Jesaja zich geroepen tot het profetenambt. Hij groeit op in een aristocratisch milieu van geestelijken en edelen, die de samenleving besturen. Van anarchie, oorlog, terreur en repressie had hij nog nooit gehoord. Totdat hij van dichtbij meemaakt wat de troonsbestijging van een Achaz effectueert in ook zijn dagelijks leven. Buren verdwijnen spoorloos, zonder enige vorm van strafrecht worden burgers gevangengezet, de berichtgeving in de media laat in toenemende mate een eenzijdig beeld zien, en de natie Juda raakt tijdens de regeerperiode van Achaz steeds meer geïsoleerd van andere landen in het Nabije Oosten. Als vervolgens een echtpaar in het openbaar, omringd door tientallen burgers, wordt gemarteld, de doodstraf wordt ingevoerd en er buitengerechtelijke executies plaatsvinden, is de maat voor Jesaja vol. Hij stelt zich niet verkiesbaar als politicus, maar mengt zich in de hoedanigheid van profeet in de lokale politiek. Hij doet pogingen Achaz’ bestuur te beïnvloeden en wijst hem op het belang van religieus leiderschap. Alle eigenschappen die de koning zichzelf toekent, reserveert Jesaja voor God. Jesaja slaagt er niet in op Achaz in te praten. Achaz neemt de woorden van Jesaja niet ter harte. Hij laat zich moeilijk bijsturen, ‘bekeren’ zou de vrome zeggen.

Ondertussen schrijft Jesaja een messiaanse profetie, gedichten en orakels om zijn medeburgers op te monteren. Jesaja 8 vers 23B tot 9 vers 7 is een voorbeeld van zo’n messiaanse profetie, waarin de geboorte van een vrede brengende vorst wordt aangekondigd. De tekst is een orakel in de vorm van een zegelied. Jesaja voorziet en voorzegt dat het machtsblok uit elkaar zal vallen. Alle vormen van onvrijheid zullen worden opgeheven. Wanneer het zover is, de rust is weergekeerd, zal er een kind worden geboren, dat opgroeit met een godsbesef, waaraan het zijn eigen koninklijk optreden zal toetsen.

Dat is typisch voor Jesaja: eerst zichzelf in relatie brengen met wat groter is dan hemzelf. Jesaja is geen adelaar die boven de werkelijkheid zweeft en vanuit een perspectief op ‘het geheel’ het bestuur van het Oude Nabije Oosten kan overzien. Hoewel hij zich voedt met wat hij in de geest voor zich ziet, is zijn blikveld beperkt. Hij hoopt dat zijn tijdgenoten die leidinggevende functies uitoefenen eveneens van dat besef doordrongen zijn. Voor Jesaja maakt het rekenen met God uit voor de wijze waarop een monarch of politicus haar of zijn functie uitoefent. Jezelf in relatie brengen met een ‘macht’ die jou te boven gaat, stelt een mens in staat de implicaties van het eigen handelen nog eens te doordenken. Voor Jesaja is die vorm van geloof nodig om sociaal onrecht te voorkomen.

De gemene deler tussen Jesaja’s heilsprofetie en Paulus’ pastorale brief aan Titus is de instructie. Titus is een leidinggevende op Kreta die voor de taak staat diverse groepen in de gemeente gedrag aan te leren, waardoor de onderlinge vrede wordt bewaard. Paulus is inmiddels een oude man, en neemt in de brief niet alleen afscheid van Titus als zijn medewerker, maar stuurt hem ook instructies voor het leven in de gemeente. De jonge Titus, die vrouwen en mannen op leeftijd, die al een lang leven achter zich hebben, gemeenteleden die zelf een bestuursfunctie vervulden, mondige pubers en geëmancipeerde meisjes een manier van leven moest spiegelen om de gemeente als een coherente groep bij elkaar te houden. Hoe pakt hij dat aan?

Titus delegeert zijn leiding via oudsten die aan hoge eisen voldoen. Hij schrijft een kleine religieuze ethiek met idealen waaruit aanbevelingen voortvloeien voor gedrag. Titus denkt dan aan houdingen als overgave, inschikkelijkheid, leiding van een ander kunnen ontvangen, reflectie op de eigen verlangens en geduld. Hoe zouden zijn lezeressen en lezers hebben gereageerd?

De brief aan Titus wordt wel een pastorale brief genoemd. Die titel wekt mogelijk verbazing wanneer ‘pastoraat’ vooral geassocieerd wordt met begrip tonen voor de visie van de pastorant. Veel meebewegen en uithouden, weinig confronteren en tegenspreken. De leefregels en huisregels die Titus voorschrijft, kunnen weerstand oproepen. Weerstand die ontstaat, doordat Titus in de rol van leraar ten opzichte van de leerling een asymmetrie inbouwt. Alsof hij een voorsprong heeft op de kennis van zijn gemeenteleden. Waar haalt hij het lef vandaan? En zou een docent niet tegelijkertijd ook een ‘geestelijk verzorger’ moeten zijn om de leerling te bereiken? Eerst sympathie wekken, gerichte complimenten geven en goed gedrag belonen, vervolgens kort te ontwikkelen gedrag benoemen en weer afsluiten met positieve punten? Doet Titus er niet verstandig aan eerst te werken aan een stabiele vertrouwensrelatie met gemeenteleden, voordat hij hen adviezen gaat geven?

Nee, de passage die wij hebben gelezen, is een confessionele tekst. Titus wil het apostolische getuigenis van Paulus doorgeven aan een christelijke gemeente, die hij zag als een religieus verband. Op het moment dat de verhoudingen in de gemeente labiel zijn en veel gemeenteleden met andersdenkenden in aanraking komen, is de pijler die het gemeenteleven draagt soms ver te zoeken. Om de eenheid te bewaren, stuurt Titus aan op een meer nadrukkelijke hiërarchie dan voorheen. Volgens hem is een gestructureerde gemeente die erop gericht is deugden in praktijk te brengen, hét redmiddel om christelijk samenleven te waarborgen. De brief aan Titus leest als een praktische handleiding voor een kerkorde.

Dát is het licht dat deze gemeente binnenvalt: in een veelheid aan denkbeelden reikt Titus een overzichtelijk schema aan dat de gemeente als een hecht, samenhangend geheel aaneensmeedt. De gloed van het licht dat wij van Titus kunnen opvangen, is dat in een tijd waarin een gemeente volop in beweging is vrijheidsbeperking soms een zegen kan zijn. Totdat de ontwikkeling is neergezet, er voldoende routines zijn ontwikkeld en de gemeente weer toe is aan een nieuwe uitdaging.

Amen

Zondag 20 november 2022, Protestantse Gemeente Voorhout

Preek naar aanleiding van Job 19:23-27a en Marcus 13:28-37 uit de Naardense Bijbel voor de Gedachteniszondag op 20 november 2022 om 10.00 uur in De Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente Voorhout

Gemeente,

De vertolker van het Marcusevangelie was erg jong toen hij al doortrokken was van een doodsbesef. Aan een bewustzijn van de dood ontleende hij ook zijn gedachten over de opstanding. Die opstanding is hemels. ‘Marcus’ liep vaak langs de straten van de pijn, door het woud van de eenzaamheid, vertoefde op de wegen van het lijden. De mensen die hij tegenkwam nam hij nauwkeurig waar, hij las hen aandachtig als waren zij boeken. In de rimpels van hun huid zag hij de verscheurdheid van hun wezen en hoopte dat zij in het paradijs eeuwig zouden leven; dat uitgerekend hen een ereplaats was toebedeeld door te zitten aan de rechterzijde van Christus. ’s Nachts lag hij uren wakker, tobde heel wat af, hoorde roepen in het duister door armzaligen van kracht.

De evangelist heeft Jezus niet gekend, behoorde tijdens het leven van Jezus niet tot diens kennissenkring. Maar via verhalen, overleveringen en zijn fantasie was deze figuur wel voor hem gaan leven en hij volgt daarin de voorstellingswereld van de eerste eeuw. ‘Marcus’ kon het niet laten Jezus op te hemelen, hem te verheerlijken. Als een persoon of ‘de werkelijkheid’ niet terugpraat, vindt vaak romantisering plaats. Marcus’ beeld van Jezus werd niet bijgestuurd, gecorrigeerd. Voor hem was Jezus een hemelse verschijning, een geestelijk lichaam dat zomaar ergens kon opduiken, een model waar hij zich aan optrok.

Zoals je nauw aan iemands borst of voeten kunt liggen die je liefhebt, zo trokken de apostelen van Jezus met hem op, liepen college in Galilea en Judea, volgden zijn aanwijzingen op en waren ooggetuige geweest van zijn lijden en sterven. De auteur van het Marcusevangelie was geen tijdgenoot van Jezus. De evangelistengroep waar hij deel van uitmaakt, moest het hebben van horen zeggen en Marcus ging hierin eigen wegen. De figuur van Jezus was Marcus’ onzichtbare referentiepunt, dat zijn begrip van de eindigheid liet verankeren in de oneindigheid. Als Marcus Jezus zag en met hem sprak dan gebeurde dat in zijn geest. Zijn belangstelling ging niet zozeer naar de historische Jezus uit, al vormde die wel de springplank voor zijn hemelse wandelingen met Jezus.

Hij onderhield vanuit zijn historische leven een ahistorische relatie met Jezus, die zijn oorsprong vond in God. Die oorsprong maakte dat de betekenis van Jezus voor hem veel meer was gelegen in hoe hij Jezus na diens dood nu dagelijks ervoer. Terwijl niemand het in de gaten had, stond Marcus dagelijks met Jezus op en ging met hem naar bed. Het was een zijnswijze die zich binnen een niet-aanschouwelijk gebeuren kon voltrekken.

Ik vermoed dat nabestaanden in de beleving van Marcus kunnen meekomen. Want ook als een partner, familielid, vriend(in) is overleden, blijft een nabestaande zich tot de overledene verhouden. De dialoog gaat door, die ander blijft aanwezig in ‘zelfgesprekken’, waarin de overledene zich verrassend nieuw kan openbaren. Het moment waarop de overledene zich aandient is niet te voorspellen, die ander is er niet op afroep. Je staat ergens, je draait je om en plotsklaps ‘staat’ de ander daar als levensecht.

Het Marcusevangelie is een proeve van een relatie tussen een aanschouwelijk mens tot een niet-aanschouwelijk mens. Het evangelie leest als een roman, waarin de tijdelijkheid van de mens wordt vereeuwigd. Het goede nieuws is dat die vereeuwiging een geruststelling kan betekenen. ‘Marcus’ rustte in Gods persoonlijkheid. Nu hij in God was en leefde, hoefde hij niet terug te blikken en herinneringen op te halen aan de overledene. Marcus hoefde na Jezus’ dood niet een heel ander leven te gaan leiden, met nieuwe rituelen, overtuigingen en activiteiten. Hij erfde Jezus en stond op vertrouwde voet met hem als was hij een oude bekende.

In de cognitieve ervaring van Jezus’ aanwezigheid was het voor Marcus bijna onmogelijk existentieel te treuren. Hij ging als auteur en prediker zelfstandig te werk en gedijde goed in zijn verhouding tot een niet-zintuiglijk waarneembare realiteit. De gedachte aan de dood maakte hem niet zwaarmoedig en creëerde voor hem niet een gapende leegte of een pijnlijk gemis. Hij kon luchtig over de dood doen, zag er de nietigheid van in, voer er een toneelstuk over op als in hoofdstuk dertien vers achtentwintig tot zevenendertig, en kon er met humor over vertellen.

De bedoeling van zijn opvoering is niet apocalyptisch van aard. Alsof een mens aan de kosmos een einde der tijden zou kunnen aflezen. Marcus daagt de lezer(es) uit, waarschuwt in een geanimeerde stemming, omdat hij de mens die ten dode toe bedroefd is, wil bemoedigen en wil wenken naar de plaats vanwaaruit hij naar de dood kijkt.

Leefde Marcus in de wereld die draaide om de notie van tijd, richtte hij zich op de dingen en op de mens, zoals die zich aan hem voordeed, dan ervoer hij een enorme afstand van God. En als ‘Marcus’ mijlenver bij God vandaan was, dan zag hij nergens de zin van in. De wereld werd klein en het beslissende bleef uit. Was hij ‘in God’, dan werd al het aanschouwelijke, de psychologie en de fysica tot stof en as. Hij had de gedachte aan God als tegenpool nodig om de invloed van het materiële te beperken.

De aantekeningen van de apostelen die hij overgeleverd had gekregen, hadden hem al schrijvend in staat gesteld van een dode een levende te maken. Hij had ze minutieus gelezen, er verhalen van gemaakt, gaten opgevuld, zijn schrijverschap was een passie geworden. Ongemerkt was hij in zijn levenswerk verzopen en het had van een jongeman die niet wist wat hij met zijn leven wilde een heel bepaald soort nieuwe mens gemaakt. Want telkens wanneer hij zich in de geest tegenover Christus plaatste, dan verscheen hij op een manier zoals hij voorheen voor zichzelf niet verscheen. Ongelofelijk! In de ontmoeting kwam hij anders tegenover zichzelf te staan. Zijn beeld van Jezus fungeerde als een spiegelbeeld, waardoor hij inzag dat hij niet samenviel met zichzelf. De openbaring en aanschouwing van de overledene, dat betekende een opwekking uit de doden. De enige malen waarop Christus echt stierf en ‘Marcus’ met hem was, was wanneer hij níet geloofde, want dan zag hij niets meer. In zo’n staat zweeg hij niet, aanbad niet en hield hij geen halt bij de tekenen des tijds. In de aanwezigheid van de zoemende bij zag hij niet langer een fenomenologie van het voorjaar.

Marcus wil de lezer(es) bepalen bij het heden en zowel het verleden als de toekomst daarin laten rusten. Wanneer die drie verschillende tijdsdimensies bij elkaar komen en als een geheel worden beschouwd, dan kan een mens eeuwigheid hier en nu ervaren – al is die ervaring zelf van korte duur. Marcus symboliseert dat ogenblik bloemrijk met de korte tijd tussen het bloeien van de vijgenboom en het uitbotten van het blad. Het is een bloeiperiode die ongeveer een maand in beslag neemt. Mocht u ooit zelf eens een gewas geplant, gepoot of gezaaid hebben, dan herkent u wellicht het opgewonden gevoel waarmee je het eerste opschietende kruid of de vruchten van een plant of boom kunt verwachten.

Zoals een moeder op het schoolplein haar kind kan opwachten en het liefdevol omhelst, zo stond Marcus dagelijks op wacht tot de overledene aan hem zou verschijnen. Niet als een illusie, een droom of hallucinatie, maar als het object van zijn hoop. In die omgang met de dood schuilt een bevrijdend effect, omdat de dood een te openen luik, een venster is niet naar een andere wereld, maar naar een andere omgang met de geliefde, dan toen zij of hij nog leefde. Wie de dood als een drempelmoment opvat waarna het leven met de persoon die je tijdens je leven hebt uitverkoren en aanbeden doorgaat, kan het zichzelf makkelijker maken de dood te aanvaarden, dan wie de dood ziet als de laatste deur waar een mens doorgaat. De breuk tussen jou en de ander wordt erdoor hersteld. Het gezamenlijk leven gaat op een ongewone manier verder. In deze interpretatie is de dood van een gestorvene niet het hele verhaal, en je hoeft er geen visionaire figuur, mysticus of evangelist voor te zijn om haar te accepteren. Het enige dat je ervoor nodig hebt is voorstellingsvermogen en een verhaal.

Amen

Zondag 2 oktober 2022, Protestantse Gemeente Moordrecht-Gouderak, zondag 16 oktober 2022, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn, zondag 13 november 2022, Gereformeerde Kerk Dinteloord en Steenbergen & zondag 4 december 2022, Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Marcus 1:16-22 en Marcus 8:34-38 uit de NBV21 voor de kerkdienst op zondag 2 oktober 2022 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Moordrecht-Gouderak, op zondag 16 oktober 2022 om 10.00 uur in de Oudshoornsekerk te Alphen aan den Rijn, op zondag 13 november 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk Dinteloord en Steenbergen te Dinteloord en op zondag 4 december 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

De navolging van Christus, is dat niet te hoog gegrepen? Moet je dat wel willen? Behelst die navolging niet een bovenmenselijke of liever onmenselijke denkstijl en levenswijze? En, wat zou die navolging tegenwoordig kunnen inhouden, eventueel in onderscheid tot wat het ten tijde van het schrijven van het Marcusevangelie inhield? Zou je er niet goed aan doen, ongeacht de tijden, de navolging van Christus niet aan te bevelen, maar integendeel, vanuit de conclusie dat ze onnavolgbaar is, haar ten strengste moeten ontraden? Dit zijn enkele bezwaren die een lezer of geroepene zowel destijds als nu zou kunnen hebben ten aanzien van de navolging van Christus.

Kennelijk niet voor Simon, Andreas, Jakobus en Johannes, want terstond laten ze, zonder pardon, arbeid en familie achter zich om Jezus onvoorwaardelijk te volgen, niet eens wetend wat die navolging betekende en wat het vissen van mensen impliceerde. Begrepen deze vissers wel waarop ze met hun navolging ja zeiden, voor ze hun jawoord gaven en hun huidige bestaan opgaven om, ja om wat eigenlijk? Hadden ze er niet goed aan gedaan zich vooraf wat beter te laten informeren over de inhoud van de navolging? Waren ze daar niet te slecht op voorbereid? Hun reactie op de uitnodiging tot navolging was er een van spontaniteit en gehoorzaamheid, maar was dat dus wel zo verstandig? Was dat programma van de navolging niet veel te rigoureus en te radicaal, zodanig dat ze het van de hand hadden moeten wijzen of er op z’n minst voor hadden moeten bedanken? Hoe is het mogelijk dat de oproep tot navolging voor hen niet zeer ongelegen komt?

Of hadden ze goede redenen, voorstelbare motieven, zoals een behoefte aan avontuur, reislust om hun leven, zoals ze het tot dusver hadden geleefd te beëindigen en een ander, nieuw, onvertrouwd leven te gaan leiden? Of zou je deze schrijversstrategie van de auteur toch anders moeten lezen, bijvoorbeeld als een om de figuur van Jezus wat meer gezag toe te kennen door te laten zien hoe gezwind en, althans zo lijkt het, gedachteloos deze vier vissers hun netten achter zich laten, een onbekende toekomst tegemoet?  

We hebben vanochtend passages gelezen uit een evangelie, waarin de auteur antwoord geeft op de vraag wie Jezus van Nazareth volgens hem was. Hij beantwoordt die vraag ten overstaan van een lezerspubliek, dat voornamelijk bestond uit christenen met een heidense achtergrond. U ziet dat bijvoorbeeld aan de keren dat de auteur beschrijft en uitlegt wat Jezus deed en welke uitwerking dat had op de mensen met wie hij zich engageerde. Zoals een Griek een niet-Griek een barbaar noemde, zo noemde een christen een niet-christen wel een heiden. De auteur legt voormalige heidenen uit wat typisch christelijke praktijken zijn.

In de manier waarop de auteur Jezus van Nazareth portretteert doet hij iets gewaagds en contrasterends ten opzichte van zijn omgeving: in de context van Rome met zijn heldenverering gaat hij uiteindelijk een lijdensfiguur uittekenen. Nu kunnen we dit verhaal op veel verschillende manieren proberen te begrijpen, bijvoorbeeld door te kijken naar de geografische aanwijzingen, de thematieken of de reacties van de figuranten. Wij kijken vanochtend naar de thematiek van de navolging in dit verhaal. We laten ons daarbij door twee vragen leiden, namelijk: waar herken je een volgeling, een navolgeling van Christus aan? En, wat zou het vandaag de dag kunnen betekenen een navolgeling van Christus te zijn?

Over de identiteit van Jezus van Nazareth is veel geschreven en vooral gespeculeerd. Vanuit historisch perspectief weten we enkel, dat hij een jood was en Aramees sprak. Het portret van Jezus zoals dat ons schriftelijk wordt overgeleverd door de auteur van het Marcusevangelie, gemotiveerd door zijn eigen psychologische, theologische en politieke belangen, is zijn geïdealiseerde variant van een figuur van wie hij dacht dat zijn lezers daar baat bij hadden, namelijk een van een bevrijder uit veel religieus-politieke benauwdheid zoals vervolgingssituaties. De auteur van het Marcusevangelie laat Jezus als een filosoof, anarchist en hervormer optreden, omdat deze vervolgingssituaties voor veel van zijn voorgangers en tijdgenoten fataal is afgelopen dan wel nog nauwelijks is uit te houden. De ene na de andere beperking werd ingevoerd, het welbevinden, het doorzettingsvermogen en de lijdzaamheid van zijn tijdgenoten werd zwaar op de proef gesteld. Het gebrek aan vrijheid van denken en leven in zijn land had van een auteur die eerder veel vrijblijvender schreef, op slag een evangelist en pastor gemaakt. Om zijn medechristenen door de crisis heen te helpen, gaat hij hen literair een hart onder de riem steken.

De lezers van het Marcusevangelie gedroegen zich moreel, zolang zij gesocialiseerd waren, dat wil zeggen zich hielden aan de civiele wetten en sociaal geldende normen van een elite, maar kwamen hiermee op basis van hun persoonlijke overtuigingen hoe langer hoe meer mee in conflict. Nu zij vanwege een deel van die overtuigingen, van religieuze aard, worden vervolgd, is dat voor de auteur reden een geschrift, zijn evangelie, te laten verschijnen, waarin hij zal oproepen tot maatschappelijk onaangepast gedrag. Dat doet hij door Jezus te karakteriseren als een voorbeeldfiguur die de bestaande orde problematiseert. Hij benadrukt de contextualiteit en historische bepaaldheid van civiele wetgeving en normen, die, bovendien, met name de belangen dienen van een kleine, invloedrijke, vermogende groep mensen. De wetten die zij produceerden en de normen die zij bedachten, waren niet universeel, maar moesten worden gezien als constructen die binnen een cultuur waren ontworpen door een selecte groep mensen op grond van eigenbelang.

Het geldende gezag deed deze constructen met haar eigen veronderstellingen en vanzelfsprekendheden voorkomen als in het algemeen van toepassing. De evangelist echter plaatste ze tussen haakjes en zag ze als relatief. Sterker nog, hij zou zijn lezerspubliek uiteindelijk oproepen om te breken met deze normen om hogere doelen te bereiken.                                                                                    

Doch eer het zover is, laat hij Jezus heel vaak in het publieke domein optreden als een figuur die door transgressies te plegen en scheidslijnen te laten vervloeien, inbreuk maakt op de heersende orde, waardoor de een hem als een bevrijder zag en de ander hem als een bedreiging ervoer, afhankelijk van wat je te winnen of te verliezen had. Maar of je hem nu enerzijds de koosnamen verlosser, godszoon of vredevorst toedichtte of hem anderzijds de scheldnamen raddraaier, relschopper of oproerkraaier meegaf, beide groepen waren het er over eens dat het met de entree van Jezus van Nazareth in het openbare leven met de maatschappelijke rust wel was gedaan. En dit was slechts het begin. De evangelist zal het gedragskenmerk van grensoverschrijding in toenemende mate doorvoeren door Jezus te doen kennen als een figuur die elk gezag relativeert ten opzichte van de godsverhouding. Naast de oproep tot verzet tegen de staat en sociale normen, en tot het verlaten van have en goed zal daar in de loop van Jezus’ optreden de oproep bijkomen geweld niet met geweld, maar met geweldloosheid te beantwoorden en desnoods het eigen leven te offeren ter wille van een ander mens.   

De navolging van Christus, dat lijkt een handleiding voor asociaal en onnavolgbaar gedrag, want on- en bovenmenselijk gedrag, niet? De evangelist laat Jezus niet zeggen dat de vier mensen die hij oproept tot navolging, de leidinggevenden van het volk moeten volgen. Het lijkt wel alsof Jezus met zijn oproep begint met de vorming van een nieuwe gemeenschap, een andere samenleving door vier mensen te werven, die de kern zullen vormen van een apostolische groep, waarin je als geroepene dus niet primair wordt gezien als lid van een staatsgemeenschap. Op het moment dat Simon, Andreas, Jakobus en Johannes instemden met de navolging, werden zij geen lid van een politiek georganiseerde samenleving, maar van een groep die geloof, geweldloosheid en opofferingsgezindheid als bestaanswijzen uitdroeg. In die apostolische groep golden veelal andere normen en regels dan in de burgerlijke samenleving gebruikelijk was. Niet zelden stonden ze er haaks op.

De navolging van Christus impliceert een inbreuk op het bestaan, waartoe de oproep urgent, complex en dramatisch te noemen is, aangezien het de manier waarop mensen zichzelf en anderen definiëren, de rollen die zij in het dagelijks leven spelen, bevraagt en relativeert. Je positie in politiek en sociaaleconomisch opzicht werd ermee naar een tweede plan geschoven. Wie een volgeling van Jezus van Nazareth wilde zijn, diende te breken met overtuigingen, werd gemaand zichzelf opnieuw uit te vinden en gedragsveranderingen in gang te zetten. In een bekering werd het eigen bestaan van de volgeling in een crisis geplaatst, zij of hij heroriënteerde zich op een nieuw bestaan, dat de volgeling vaak in oppositie met vermeende vromen en autoriteiten bracht. De navolging van Christus, dat is geen sinecure. Geroepenen zijn er vele, maar uitgelezenen weinig.

Amen

Zondag 25 september 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 9 oktober 2022, Bethelkerk Den Helder & zondag 30 oktober 2022 Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 25 september 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 9 oktober 2022 om 10.00 uur in de Bethelkerk te Den Helder en op zondag 30 oktober 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk 11 vers 1 tot 9 doet is een profetie schrijven waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt. Aan het eind van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging om het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een ‘stadium’ waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een ‘fase’ van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen.

Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam zijn profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen om een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken omdat ze vaak in algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Een historicus neemt besluiten over zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet is een hoop in het vooruitzicht stellen waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei. Rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin. Omstanders van wieg, box, buggy of Maxi-Cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen dan wist hij: kijk, God is met ons. In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom ‘binnenhaalt’. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide personen kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk één die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collega’s in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met de kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert leven.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid. Er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen mens en ‘dat wat de mens overstijgt’ wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht ‘naar God’ heeft aanvaard, mag wensen dat die reis waarop zij onbekende havens binnenvaart, lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij een lezeres, liever urenlang in het midden van een boek hangen dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

Zondag 29 mei 2022, Johanneskerk Leersum, zondag 3 juli 2022, boerderij De Hoef Leidsche Rijn, zondag 10 juli 2022, Waterstaatskerk Schagerbrug, zondag 17 juli 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 24 juli 2022, Houtrustkerk Den Haag, zondag 31 juli 2022, De Ark Berkel, zondag 7 augustus 2022, Protestantse Wijkgemeente Holy Vlaardingen, zondag 14 augustus 2022, Oude Kerk Heemstede, zondag 21 augustus 2022, Pauluskerk Breukelen, zondag 21 augustus 2022, Schoterhof Kennemerhart Haarlem, zondag 28 augustus 2022, De Ark Hendrik-Ido-Ambacht, zondag 4 september 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag, zondag 11 september 2022, Open Pastoraat Gorinchem & zondag 18 september 2022, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van Sefanja 3:12-20 en Romeinen 6:3-11 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 29 mei 2022 om 10.00 uur in de Johanneskerk te Leersum, op zondag 3 juli 2022 om 10.00 uur in boerderij De Hoef van de Protestantse Gemeente Leidsche Rijn, op zondag 10 juli 2022 om 10.00 uur in de Waterstaatskerk te Schagerbrug van de Protestantse Gemeente Zijpe, op zondag 17 juli 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 24 juli 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag, op zondag 31 juli 2022 om 10.00 uur in Gereformeerde Kerk De Ark te Berkel, op zondag 7 augustus 2022 om 10.00 uur in de Protestantse Wijkgemeente Holy te Vlaardingen, op zondag 14 augustus 2022 om 10.00 uur in de Oude Kerk van de Protestantse Gemeente Heemstede, op zondag 21 augustus 2022 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente Breukelen, op zondag 21 augustus 2022 om 19.00 uur in Schoterhof van Kennemerhart te Haarlem, op zondag 28 augustus 2022 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente De Ark te Hendrik-Ido-Ambacht, op zondag 4 september 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag, op zondag 11 september 2022 om 10.00 uur bij het Open Pastoraat te Gorinchem en op zondag 18 september 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

In de Zweedse film De grote stilte die Ingmar Bergman in 1963 produceerde, staat de leegte in het leven van mensen centraal. Tijdens een reis die twee zussen maken, wordt een van hen ziek, waarna zij met een zoontje van een van de zussen in een hotel in een Noord-Europese stad verblijven. In dat grote logement voelen de zussen zich lusteloos. Ze raken gedesinteresseerd, verveeld, worden hangerig en ergeren zich aan elkaar.

Bergmans De grote stilte is het laatste deel van een trilogie over geloof. De zussen in Bergmans film hadden een doel voor ogen, een reisbestemming in gedachten. De vaart van hun leven zat er goed in. Als dat ‘levenstempo’ onvoorzien en ongewenst wordt vertraagd, is een vraag hoe elk van beide vrouwen met die onderbreking omgaat. Beide vrouwen ontwikkelen een vorm van alcoholisme en pikken willekeurig een man in een bar op. Het is de beleving van de tienjarige jongen die naar wegen zoekt om zich te vermaken, waardoor op de ‘holle tijd’ die de volwassen vrouwen ondervinden de nadruk komt te liggen.

Binnen de religie vallen er verschillende soorten stiltes te ontwaren. Tijdens het brengen van een offer is er sprake van een liturgische stilte. Eerbiedige stiltes worden in acht genomen bij het uitvoeren van rituelen. Mensen zijn massaal stil als er een bepaalde dag aanbreekt en voor het uitspreken van een religieus oordeel zijn hoorders stil. Aan het moment waarop Sefanja had besloten de stilte te doorbreken was een periode voorafgegaan waarin er geen profetische stem meer had geklonken. Jesaja en Micha waren de laatsten geweest die nog visionair optraden, visies uitsponnen waarin ze hoorders perspectieven voorhielden om hen uit te dagen iets te doen waarvan ze niet wisten dat ze ertoe in staat waren.

Nadat Jesaja en Micha zich niet langer in de openbaarheid vertoonden en stierven, was het stil geworden. Die stilte vormde een groot contrast met de alarmerende signalen die doorklonken in de kreten van de profeten. Er werden geen idealen meer geproclameerd, dromen niet gerealiseerd en mensen toonden niet veel ambitie. Na een periode van turbulentie in een samenleving kan een stilte heilzaam werken. Maar in de tijd van Sefanja kwam het leven er zelf door stil te liggen. Er heerste een rust en onbeweeglijkheid die onvrijheid verrieden in plaats van vrijheid die te herkennen is aan bedrijvigheid en drukte. Wat Sefanja met zijn visie doet, is antwoord geven op de monotonie, de eentonigheid van zijn tijd die problemen zoals een gebrek aan voedselvoorziening en oorlogsvoering met zich meebrachten. Zo zet hij ingrijpende religieuze hervormingen in gang. Sefanja probeert de motoren van het leven zelf weer aan de praat te krijgen door op te roepen handelingen te verrichten in een tegenovergestelde richting dan de wijze waarop mensen in zijn omgeving dat gewend waren. Het afleren en aanleren van een levensstijl, zo hoopte hij, zou resulteren in een continue stroom van voedselproductie, vrede en veiligheid.

Net als Sefanja is ook Paulus te karakteriseren als een profeet, omdat hij een beroep doet op de innerlijke verandering van zijn adressanten. En er is nog een overeenkomst te noemen tussen profeet en apostel. Zoals Sefanja oproept tot tegennatuurlijk handelen, beweert Paulus dat een religieus gelovige die gedoopt is in de geest niet langer onder de wet valt. Paulus staat voor de taak te laten zien dat de wet, die slavernij in de hand werkt, geen betrekking meer heeft op de geestelijke mens die in vrijheid leeft. In de sfeer waarin de gelovige zich beweegt, denkt, voelt en handelt zijn de geboden niet langer van toepassing. Daarmee diskwalificeert Paulus de mogelijkheid van overtredingen en de invloed van vormen van controle en handhaving die een mens ontmoedigen. De bindende regels van de wet en de ongebondenheid van de geest bedienen zich van een ander taalveld, belichamen een andere denkwereld. Maar Paulus, in tegenstelling tot Sefanja, legt ook met behulp van theoretische reflecties uit en haalt symboliek aan om door middel van beelden te beschrijven hoe de geestesdoop van de gelovige in het heden plaatsvindt.

Zowel Sefanja als Paulus waren figuren die zich geconfronteerd zagen met het probleem dat mensen niet in staat waren zichzelf te bevrijden van hun gewoontes, routines, rituelen en wetten. De impact van herhaling en gehoorzaamheid werkte als een verslaving waar mensen dermate door ‘gedrogeerd’ waren dat ze zich er geestelijk en lichamelijk niet van konden distantiëren. Voor de oplossing van dat probleem treedt Paulus op als een idealistisch schrijver.

Dat idealisme van Paulus kun je lezen als een reisbeschrijving van de dood naar het leven, waarin hij voluit in gesprek is met heidense en joodse tijdgenoten. Leven met God, dat wil zeggen je verenigen met wat je optilt, je uittilt boven wat je terneerdrukt, lam slaat, betekent tegelijkertijd sterven voor alle negatieve invloeden. Een totale en definitieve scheiding, een breuk zoals de dood dat is. Die breuk kun je ‘sterven met Christus’ noemen en maakt je los van datgene wat je van God scheidt. In de vorming van het nieuwe mens-zijn, waarin je wordt verenigd met ‘je betere zelf’, kan een lange stilte vallen. Iets in je wordt teniet gedaan. Dood, dat wil zeggen manieren van doen waaruit de bezieling is verdwenen, transformeert in doop.

De gelovige is dan niet langer belast met bijvoorbeeld overgeërfde handelswijzen, gekopieerde manieren van doen, maar leeft in eenheid met het levende en in openheid naar de toekomst. Dan kan het aan de oppervlakte van een mens’ voorkomen stil lijken, doodstil, terwijl er ‘ondergronds’ van alles woelt. De vrome zegt over dat proces: “God is in de mens aan het werk.” Er vindt een ‘strijd’ plaats, waarin de geest wil zegevieren over al die invloeden die een mens naar beneden halen en die, als de overwinning daar is, de mens in staat stelt wilsbekwaam en capabel op te treden. In die acten van vrijheid toont een mens dat zij of hij boven de wet staat.

Amen

Donderdag 26 mei 2022, Maartenskerk Protestantse Gemeente Doorn

Preek naar aanleiding van Daniël 7:9-14 en Handelingen 1:1-11 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 26 mei 2022 om 9.00 uur in de Maartenskerk van de Protestantse Gemeente Doorn

Gemeente,

In de negentiende-eeuwse roman De idioot van Fjodor Dostojewski keert vorst Mysjkin na een lang verblijf in het buitenland terug naar Rusland. Tijdens zijn absentie blijkt de Russische samenleving al haar kaarten op de economie te hebben gezet. De figuur die mogelijk model heeft gestaan voor Mysjkin was de vijftiende-eeuwse Basilius de Zalige, die in de rol van ‘idioot’ het bewind van de tsaar Ivan IV Vasilyevich bekritiseert. In Byzantium, en in het bijzonder in middeleeuws Rusland, gold ‘dwaasheid’ als een christelijke waarde. De idioot vertegenwoordigt het ideaal van zelfontlediging en vernedering tot het uiterste, door afstand te doen van zijn intellectuele gaven en alle vormen van strategisch denken. Vrijwillig neemt hij het kruis van de idiotie op zich en vervult daarmee een sociale rol. De idioot was in die positie in staat mensen die macht hadden ‘vogelvrij’ te bekritiseren. To play the fool (het spelen van de dwaas) was een stap die niemand anders durfde wagen.

De auteur van Daniël zeven vers negen tot veertien is een cartoonist, die met visuele kunst een religieus commentaar schrijft op de kroning van een priester, zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd entertaint en adverteert voor een andere tempeldienaar. De historische aanleiding voor het in beeldtaal tekenen van zijn cartoons is de onvrede van een groep gelovigen over de opvolging van de hogepriester in de tempel. Zij koesterden de hoop dat de nieuwe geestelijke zich in eenvoudige kledij tooit, er een sobere levensstijl op na houdt, toegankelijke taal spreekt, gemakkelijk in de omgang is en gevoel heeft voor symboliek, rituelen en theater. De kandidaat die uiteindelijk werd verkozen tot nieuwe priester bleek uit de aristocratie afkomstig, zich te hullen in een bontgekleurde kazuifel, te wonen in een religieus paleis, vaker te vinden in een studeerkamer en lokale bibliotheken, dan in een biechthokje, een gedistingeerde taal te spreken, de sacramenten af te raffelen en zich te verplaatsen in een Lamborghini Murcielago.

Voor die benoeming was veel politiek in het spel. Machtsverhoudingen drukten hun stempel op ‘het verkiezingsproces’ en iemand die afkomstig was ‘uit het volk’, had weinig in het besluitvormingsproces in te brengen. De troonsbestijging was een selectief gebeuren en werd gekenmerkt door ongelijkheid. Het volk heeft echter één belangrijke troef in handen: zij weet zich te verenigen, is goed georganiseerd en trekt een plaatselijke schrijver, illustrator en striptekenaar aan die op komische wijze een parodie op de kroning uitbeeldt en een alternatieve installatie van een ‘kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder’ voorstelt. Die functionaris diende aan het profiel van ‘het volk’ te voldoen om hen optimaal te kunnen vertegenwoordigen en tegelijkertijd ontvankelijk te zijn voor ‘hemelse sferen’. Een figuur die ‘begrijpt’ wat transcendentie betekent, dat wil zeggen ‘ruimte’ die geen ruimte is, een leeg begrip dat mensen gemakshalve God noemen. Als die ‘wereld’ ter sprake komt, beginnen mensen vaak te stotteren en te stamelen, en gebruiken beelden en sacramenten om dat wat hen boven de werkelijkheid uittilt, uit te drukken. Een persoon die dat religieuze spel kan faciliteren en stroomlijnen is de priester. Wat de achterban van de cartoonist betreft is dat zowel iemand die van de aarde is, als iemand die met haar of zijn hoofd in de wolken loopt.

De cartoonist heeft de uitnodiging aangenomen en gaat het, in de ogen van het volk, falen van de huidige priesterlijke functionaris ruimschoots goedmaken met visioenen. Hij stelt zijn geest helemaal open voor ‘droomgezichten’, laat zijn fantasie de vrije loop en schuwt daarbij apocalypsen niet. Hij luidt het einde van een ambtstijd voor een voorganger in. Zijn taak zit erop, hij mag met emeritaat, nu kan hij vrij dromen. Visioen na visioen krijgt in Daniël zeven zijn neerslag. De cartoonist stelt zich een ‘verkiezingsronde’ voor die niet wordt belegd door commissies met leden die zo hun eigen belangen hebben. Hij geeft het vuur van ‘godverschijningen’ als leidmotief op voor de verkiezingsprocedure van de nieuwe priester. Zijn nieuwe priester vertoont veel trekken van een ideale mens: het is een oermens en eindtijdmens ineen. De manier waarop hij volgens de cartoonist invulling gaat geven aan het ambt is tijdloos: zijn optreden is oorspronkelijk, ‘fris’ en telkens nieuw. Een ambtsinvulling gebaseerd op de geest krijgt al gauw de contouren van onvergankelijkheid, volmaaktheid en onkreukbaarheid.

Die visie mag je als lezer(es) situeren in de context van Soekkot, dat is het joodse Loofhuttenfeest, een pelgrimsfeest dat culmineert in een acclamatie waarbij God als meerdere wordt erkend. De auteur van Daniël zeven geeft van dat feest een eschatologische interpretatie door er het einde van een oude en het begin van een nieuwe sociaal-religieuze orde mee in te luiden.

De tekst uit Daniël zeven en Handelingen een vertellen van een hemelvaart en lijken op de hemelvaart van een Henoch, Elia en op die van heersers en helden uit de Oudheid als Augustus en Heracles. Hoe verhouden beide teksten zich nu tot elkaar op het punt van hemelvaart? Als een mens is heengegaan, iemand van wie je gehoopt had dat zij of hij eeuwig zou blijven, dan kun je op de uitkijk gaan staan, blijven turen in de verte, wachten en hopen totdat een geliefde terugkomt. Elia was een aimabel mens, bij velen geliefd en door zijn populariteit ontwikkelde zich de breed gedragen joodse overtuiging dat Elia na zijn dood terug zou komen. En alle toekomstverwachtingen ten spijt kwam Elia niet terug. De hoop op een messiaanse figuur werd er bij de gelovige jood niet minder om. Het boek Handelingen wil laten zien hoe een voorspelling alsnog in vervulling gaat. Het is een soort grootschalige reddingsactie voor de André Hazes of Frans Bauer van Israël. Tijdgenoten van Jezus van Nazareth huldigden nationalistisch-politieke opvattingen over de messias en zijn koningschap en dragen die aspiraties op hem over.

Een verhaal over hemelvaart is ook te zien als een copingsstrategie voor verliesverwerking, dat wil zeggen een manier van omgang met het gemis van een gestorvene. Wie onverwachts een dierbare verliest, kan in een soort psychologische rollercoaster belanden. Je blijft om je heen kijken en zoeken naar tekens van leven van de overledene. Beelden van ‘die ene’ staan nog op het netvlies, haar op zijn aanwezigheid zindert na. Als nabestaande kun je op abrupte momenten als een toeschouwer getuige zijn van herinneringen die zich in de eigen menselijke geest voltrekken. Midden op een feestje, in het klaslokaal of tijdens een vergadering dwalen je gedachten, terwijl iemand spreekt, af, de rouwdragende droomt weg, hoort iemand niet meer. Er kan een nieuwsgierigheid ontstaan die zich uit in tenhemelschreiende vragen of idealistische denkbeelden: “Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Of, in modernere bewoordingen: hoe ga ik mijn leven zonder lief nu vormgeven en wel zo dat ik daar wel bij vaar?

Partners kunnen hun geliefde overal in zien. Winkelruiten spiegelen de persoon die haar of hem zo lief was. Via de populaire liederencultuur ontdek je dat velen met liefdesverdriet je zijn voorgegaan. De vioolconcerten van Brahms trek je emotioneel even niet. De frustratietolerantiedrempel die normaliter hoog ligt, is ineens drastisch gekelderd en heel snel bereikt. De krant lezen lukt niet meer, voor triviale kwesties valt geen geduld meer op te brengen, eten laat je staan – niets smaakt meer! – en er is nog weinig dat je interesse kan wekken. De horizon lijkt versmalt tot het punt waarop die ene overledene levensgroot voor je staat. Moeders snuiven nog vaak de geur op van een kledingstuk van een overleden kind, richten in huis een gedenkplaats op of verzamelen attributen en zetten die apart om de wereld, waarin die ander nog present was, weer op te roepen. Het lijkt wel of de gestorvene me met haar of zijn dood door de vingers is geglipt en ik heb tijd en houvast nodig om grip te krijgen op dat heengaan. Hoe kan dat beter dan door me te omringen met de restanten van de wereld waarin de overledene leefde?

Een oudere kan nog lang in gesprek zijn met iemand die is overleden of van haar of hem is gescheiden. Totdat iemand uit het vizier verdwijnt, uit het zicht is verdwenen, het moment waarop de persoon die voor een gelovige het menszijn het meest menselijk naderde en die in het Aramees ‘de mensenzoon’ wordt genoemd ten hemel vaart. Beelden versmelten, de achterblijver neemt afstand en de horizon verbreedt zich weer een beetje. Op naar Pinksteren!

Amen

Zondag 8 mei 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 15 mei 2022, Pietermankerk Zwijndrecht, zondag 22 mei 2022, Oecumenische Vereniging de Zendingskerk Ermelo & zondag 18 september 2022, Schoterhof Kennemerhart Haarlem

Preek naar aanleiding van Ruth 2:1-17 en Matteüs 12:1-9 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 8 mei 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 15 mei 2022 om 9.00 uur in de Pietermankerk te Zwijndrecht, op zondag 22 mei 2022 om 10.00 uur in Oecumenische Vereniging de Zendingskerk te Ermelo en op zondag 18 september 2022 om 19.00 uur in Schoterhof van Kennemerhart te Haarlem

Gemeente,

Het boek Ruth, of Roeth, is de tweede rol in de Tenach, de joodse bijbel. Ruth lijkt welhaast verscholen te staan tussen Rechters en Samuël. Het verhaal in het boek Ruth staat niet op zichzelf, maar vangt aan in de tijd van de rechters. Ruth is een feestrol die met het Wekenfeest, in het Hebreeuws Sjavoeot, wordt gelezen. Vanaf het begin van de oogsttijd, de Pesach-week, tellen joodse lezer(es)s(en) af en vieren op de vijftigste dag feest op een locatie in Bethlehem, dat ‘Broodhuis’ betekent.

Het boek Ruth bevat in grote lijnen een oogstverhaal. De naam Ruth betekent ‘vrouwelijke metgezel’ en Ruth doet haar naam eer aan, want of ze zich nu bij haar schoonmoeder Noömi vervoegt of bij de jonge vrouwen die bij Boaz in dienst zijn, Ruth is een reiziger, iemand die met een ander meegaat, haar of hem begeleidt. Ruth is een Moabitische vrouw die voor een Israëliet in eerste instantie een vreemdeling is. In het boek Ruth echter getuigt Ruth van de wil zich te voegen bij het joodse volk. Met dat getuigenis geeft ze ook te kennen de Thora in z’n geheel te omarmen.

Ruth en haar schoonmoeder Noömi zijn beiden weduwe. Alle mannen in hun leven zijn overleden. Uitgerekend Ruth zal later de stammoeder van David worden. Maar eer het zover is, moet de liefde in gang worden gezet. En dus speelt schoonmoeder Noömi op de achtergrond de rol van regisseuse. Zij is de persoon die vanachter de schermen relaties en arbeidgerelateerde zaken vormgeeft.

Wanneer wij Ruth twee vers een tot zeventien lezen, dan lezen we een dagboekfragment dat als titel heeft meegekregen “Een dag op het veld”, zoals je kunt berichten over een werkdag en de bijzondere voorvallen die zich daarop hebben voorgedaan. Ruth heeft het recht achter de maaiers aren te lezen en maakt van dat recht gebruik. Ruth leidt een buitenleven. Ze is niet iemand die in de huiselijke sfeer tot haar recht komt en rust niet voordat er, letterlijk, brood op de plank komt. Ruth wordt kostwinner, een eenverdiener die na de dood van haar geliefde niet de hort op gaat, achter de jongens aan die bij Boaz in dienst zijn, maar zich mengt bij de jonge vrouwen die eveneens bij Boaz werkzaam zijn. Ze legt zich toe op de voedselvoorziening voor zichzelf en Noömi, sprokkelt dagelijks haar kostje bij elkaar. De emancipatie van Ruth vormt een belangrijke sociale kracht: zij neemt deel aan maatschappelijke arbeid.

Ruth is niet onopgemerkt gebleven. Boaz, die jegens Ruth familieverplichtingen heeft, heeft zijn oog op haar laten vallen. De overleden echtgenoot van Ruth was familie van Boaz en op basis van die verhouding als naaste familielid heeft Boaz de plicht Ruth te huwen en voor nageslacht te zorgen. Deze familieplicht vormde een sociale regeling in ‘Israëls verzorgingsstaat’, een vangnet en te vervullen belofte om wie in sociale zin statusverlies zou lijden alsnog toekomst te geven. Maar dat is niet de manier waarop Boaz naar Ruth kijkt: hij beschouwt haar niet primair als een kinderloze weduwe die voor hem een potentiële huwelijkspartner vormt. Hij beschouwt haar evenmin als een vreemdelinge, maar als iemand die de moed en daadkracht had zich tot een cultuur te wenden die zij voorheen niet kende. En dat is de pointe van het betoog van de auteur: er kan pas iets nieuws ontstaan wanneer mensen met hun tradities breken. Ruth doet dat door haar geboorteland te verlaten en te integreren in een onbekende cultuur. Boaz door niet te gehoorzamen aan traditionele, ongeschreven regels.

Om te begrijpen met welk mechanisme Boaz breekt, schets ik kort een voorgeschiedenis. De Moabieten waren een aan Israël vijandig volk. Toen het volk Israël door de woestijn trok op zoek naar een eigen gebied, onthielden de Moabieten hen water en brood conform een regel onder nomaden. Vervolgens werd er een bepaling in de Thora opgenomen dat zolang het joodse volk leefde het nimmer vrede en het goede voor de Moabieten moest zoeken. Boaz zet deze vorm van wraak zelf op z’n nummer. Boaz overwint de vooroordelen die hij wellicht had wanneer hij ziet hoe trouw Ruth is jegens haar schoonmoeder Noömi, die gevlucht was vanwege een hongersnood. Ruth belichaamt de openbaring. Zij is de verrassende ontdekking die Boaz doet, de correctie op de wetsclausule. Als Boaz door Ruths optreden íets heeft begrepen, dan is het dat er een voorschrift is dat alle wetten te boven gaat en dat is: de liefde. Boaz is krachtig, doortastend en viriel. Hij neemt de rol van losser op zich. Door Ruth te huwen, verbindt hij zich een leven lang met een persoon. En op die wijze eindigt het verhaal Ruth met een huwelijk tussen een Moabitische vrouw en een Israëlitische man.

Ook Matteüs twaalf vers een tot negen wordt gemotiveerd door het verschil tussen banden die gebaseerd zijn op affectie als drijvende kracht en de instandhouding van structuren op basis van gewoonten. De eerste negen verzen van Matteüs twaalf bevatten een verhaal dat de rigiditeit thematiseert die tot uiting komt in het vasthouden aan de wet die samenhangt met de sabbat. Er waren vormen van arbeid, zoals oogsten, waarvoor op de sabbat een verbod gold. De farizeeën zagen het plukken van graan als een vorm van oogsten. Nu kent de auteur van het Matteüsevangelie zijn joodse bronnen. Hij heeft veel van het Oude Testament geërfd en heeft weet van geschriften buiten de Hebreeuwse bijbel. Met die voorkennis laat hij Jezus de invloedssfeer van de farizeeën betreden door hem de synagoge te laten binnengaan. Met zijn onderwijs richt de auteur zich via Jezus tegen een concentratie op de wet. In de dialoog die hij opzet, confronteert hij de farizeeën met een nieuwe didactiek, die uitgaat van ruimdenkendheid op basis van sociale zin als vervulling van de wet.

Welke invloed hadden de wetsbepalingen nu op het idee van de sabbat? De sabbat is een woord dat ‘ophouden’ betekent, je arbeiden en bedrijvigheid staken, met als doel bevrijd te worden van enige vorm van slavernij en jezelf rust te gunnen. Dat kan op ieder moment. De sabbat is niet voorbehouden aan een dag. Maar in plaats van dat wetgeving ten dienste stond van de vervulling van menselijke behoeftes, leken ‘wetsbeijveraars’ de bepalingen zelf van belang te vinden. Zij spiegelden een gebruik dat omwille van het gebruik zelf in stand werd gehouden, zelfs al belette de naleving ervan de honger van menig mens te stillen. Wetten waren in plaats van instrumenten doelen op zich geworden. Matteüs twaalf vers een tot negen is dus ook een verhaal over onbegrip en groeiende weerstand van wetsdenkers tegenover religieus anarchisme. Het religieus anarchisme dat Jezus en de discipelen voorstaan, wordt gevoed door de centrale gedachte dat God heerst. Dat God heerst wil zeggen, in staat zijn te begrijpen wat het doel is van een wet en die wet tussen haken te plaatsen als het de behoeften van mensen frustreert. Ook op de sabbat staat compassievol handelen centraal. De wet? Die staat in je hart geschreven, en toch, aldus de auteur, is begrip van sociale situaties waarin tegemoet wordt gekomen aan de fysieke en psychologische noden en verlangens van concrete individuen belangrijker dan het volgen van rituelen. Rituelen stellen zelf ‘weinig’ voor. Het zijn herhalingen die in het teken staan van iets anders.

Onze wereld staat vermoedelijk ver af van de arenlezers die de achtergebleven korenaren na de oogst bijeenzamelen. Wij plukken geen graan langs de randen van een akker. Ook zijn we wellicht geen wetslezers die zich bezighouden met het interpreteren en handhaven van wetten. Wij zijn echter wel mensen die zoeken, vinden, oprapen, verzamelen, recyclen en leven van het nalatenschap van anderen. Wij lezen en interpreteren teksten, elkaar en situaties, spellen woorden uit, herlezen en worden op die wijze bij onszelf bepaald.

Het kan gebeuren dat je niet begrijpt hoe een enkele mens in je bestaan komt, maar dat uitgerekend deze mens je redt van patronen en een leven dat omringd wordt door allerlei ge- en verboden. Of dat je in de stappen die je zet je omgeving zo beïnvloedt dat mensen erdoor groeien. Het aanbreken van het hemelse koninkrijk kan betekenen regelgeving in het licht van nieuwe ontwikkelingen bij te stellen of met losse structuren te werken. Dan neem je deel aan een nieuwe manier van denken en doen die zowel je geestelijke, intellectuele als existentiële honger stilt en wordt Gods rijk hersteld.

Amen

Zondag 24 april 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 24 april 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen, waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes alles uit de kast, of liever, uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar Johannes mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte. De realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in een keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geestoproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het Johannesevangelie is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord “wereld” tegenkomt, dan duidt “wereld” op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, hij deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting. Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door polemiek, noch door identiteiten, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in onszelf, zingt binnen de lichte muziek ook Andra Day met haar Rise Up.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.

Amen