Novawhere Purmerend, 12 november 2016

Wachten op beroering. Preek naar aanleiding van Johannes 5:2-9 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering van Schrift en Tafel op zaterdag 12 november 2016 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend

Gemeente,

De plaats waar het verhaal uit Johannes 5 vers 2 tot 9 zich afspeelt is een vijver, een heidens ‘kuuroord’ dat gewijd is aan Aesculapius, de god van de gezondheid. Veel zieken hebben zich er verzameld. Een drukte van belang is het bij dit waterbassin. En toch is het er ook doodstil. Want iedereen wacht op beweging, op het opwellen en kolken van geneeskrachtige bubbels.

Nu zijn wij vanochtend bijeengekomen in een ‘multifunctionele ruimte’, maar stelt u zich eens voor dat dit ‘lokaal’ de wachtkamer is van een huisartsenpraktijk. Hier zitten we dan, de een met opgezwollen voeten, de ander met reumatische klachten, een derde voelt zich verward en een vierde heeft vooral hartzeer. Elke patiënt kijkt reikhalzend uit naar het moment dat de dokter in hoogsteigen persoon in de deuropening verschijnt en het verlossende woord spreekt: “Mevrouw Jonkers, komt u maar, meneer Tieleman, het is uw beurt”, zodat u uw verhaal kunt doen en uw pijn zal worden verlicht.

Maar voor het zover is, wachten we. Wat doet een mens eigenlijk als zij wacht? Waar wacht zij op? Wie of wat hoopt zij tegemoet te zien? Kenmerkend voor ‘wachten’ is dat je op dezelfde plaats of in een gelijke situatie blijft tot er iets gebeurt of er iemand komt die een verandering teweegbrengt.

De mens in deze vertelling is verzwakt, kwijnt weg en is vooral ‘hulpeloos’, althans dat denkt hij. Hij ligt voor Pampus, uitgewoond, haast levenloos bij de poort. Hoe is het mogelijk, zo kunnen we ons afvragen, dat iemand die al 38 jaar invalide is niet door zijn omgeving is opgemerkt en naar het nabijgelegen heilzame water geholpen?

De ziel van deze mens is lamgeslagen. Hij voelt zich zo terneergeslagen dat het alle pogingen die hij zou willen ondernemen zijn situatie te verbeteren, fnuikt.

Wat mij opvalt in deze tekst is dat Jezus niet vraagt naar wat anderen hebben nagelaten voor deze man te betekenen. En ook de opmerking van de man dat een ander hem steeds voor is negeert hij. Hij richt zich rechtstreeks tot de man zelf en stelt dan niet de typische ‘doktersvraag’: waaraan lijdt u? Of, wat scheelt eraan? Wat is er loos? Hij blijkt helemaal niet geïnteresseerd te zijn in het medische dossier van de man, maar bevraagt hem rechtstreeks op zijn wil! Wilt u gezond worden? Is deze mens wel zo kansloos als hij zelf beweert? Is het denkbaar dat niet zozeer het lichaam van deze mens zonder spierkracht was, maar dat eerder zijn geest zo verlamd was dat hij geen stap meer kon verzetten? Was hij misschien zo mismoedig dat al het goddelijke leven uit zijn binnenste was weggestroomd? Kan het zijn dat hij lang geleden het bijltje erbij neer had gegooid en niet langer de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven wilde dragen?

En toch, is die vraag: wilt u gezond worden? eigenlijk niet ook onzinnig, heeft die niet iets overbodigs? De crux van het verhaal lijkt nu juist dat deze mens wel wil, maar het desondanks niet kan opbrengen om resoluut op beide benen te gaan staan.

Hoe het ook zij, helder is dat hij wel wat opschudding kan gebruiken. Zijn vermogen om te wensen of te begeren behoeft enige aanraking. Iets in zijn binnenste moet worden omgewoeld zodat zijn lichaam en ziel weer een geheel vormen en herleven. Want dat mogen we toch wel aannemen, dat het leven van een mens die zolang op dezelfde plaats vertoeft, verflauwd is.

En ik, hoe verhoud ik me tot de mens in dit verhaal? In hoeverre kan ik mijzelf met deze mens identificeren? Lig ik wellicht zelf ook – misschien zonder het te weten – al jarenlang krachteloos ‘op mijn brits’ aan de kant te wachten op iets of iemand die mij zo beroert dat mijn leven opnieuw zin krijgt? Heeft mijn leven soms ook iets van dat ‘verblufte’? Herken ik de gelatenheid en het roerloze in mijn eigen bestaan en zit ik aan de grond genageld, neergezonken, rustig te wachten tot iemand van buiten nieuw leven in mij doet opborrelen? In het ergste geval komt het zo ver dat ik ook zelf niet langer naar middelen zoek om aan mijn eigen troosteloze toestand te ontkomen, niet meer verlang naar bevrijding en ophoud met ‘wachten’. Dan nestelt een mens zich in haar misère, hij schikt zich in zijn ‘lot’.

De hoofdpersoon in dit verhaal ervaart dat Jezus naar hem omziet, hem ‘beroert’, niet wegkijkt. Wat heilzaam voor die mens, en wat goed voor een ieder die daar iets van zichzelf in herkent, dat zij of hij wordt (aan)geraakt.

Tenslotte, ik denk dat de neerslag van die ervaring ook een bemoediging bevat. Namelijk, de mogelijkheid dat een enkeling stilstaat en acht slaat op de ontreddering van de langdurig lijdende, haar of hem ziet en uit die desperate toestand wil verlossen. Ons hele gestel wordt in die ‘ontmoeting’ doorbloed met nieuwe levenskracht.

De ‘opdracht’ waar de tekst u en mij voor plaatst is ook zelf met opmerkzame ogen de wereld in te kijken en de ander werkelijk te zien, anders dan als een anoniem ‘dood ding’. Als liefde ons laat zien wat nog niet zichtbaar is dan beamen wij op een scheppende wijze het bestaan van de ander.

Amen